Wat bedoelen we met monocultuur? Wat motiveert identitaire of nationalistische monocultuurbewegingen die hun samenleving niet pluralistisch kunnen of willen beschouwen, niet alleen in de context van Europa maar ook wereldwijd? Kunnen we positieve of zelfs emancipatorische ambities van de monocultuur situeren? Kan een cultureel homogene maatschappij ook inclusief en transformeerbaar zijn? Wat bevindt er zich in de marge van de monocultuur, en wat wordt er niet getolereerd? Wat kan de positie van kunst zijn binnen de context van de monoculturele ideologie? Of hoe zou kunst er onder de monoculturele ideologie uit kunnen zien wanneer ze tot haar logische eindpunt wordt gevoerd? 

GLOSSARY

MONOCULTUUR: EEN WOORDENLIJST

 

Landbouw

Landbouw is de praktijk van het kweken van planten en het telen van vee als bestaansmiddel. Het   was een essentiële ontwikkeling in de instandhouding van de menselijke beschaving, aangezien de landbouw van gedomesticeerde soorten leidde tot voldoende grote hoeveelheden voedsel om het mensen mogelijk te maken in steden te wonen. Landbouw op industriële schaal, gebaseerd op monocultuur-technieken, domineerde in de twintigste eeuw de landbouwproductie. Met name gewassen hebben een vermogen om zich aan te passen aan de plaatselijke teeltomstandigheden en aan menselijke voedingsbehoeften en smaken. Ze brengen gemeenschappen zowel voedselzekerheid als lichamelijk welzijn en culinaire voldoening. Door planten gedurende meerdere generaties aan inteelt te onderwerpen, werd het mogelijk ze te ontdoen van bijna elke genetische variatie. Dit wordt moderne plantenveredeling genoemd, hetgeen ook wettelijk beschermd is. Sinds het UPOV-verdrag – de UPOV is de International Union for the Protection of New Varieties of Plants – dat in 1962 een wetgeving invoerde met beperkingen rond het intellectueel eigendom van nieuwe planten, mogen alleen onderscheiden, officieel erkende planten commercieel worden geteeld in landen die het verdrag hebben ondertekend, waaronder alle landen van de de EU.

 

Allochtoon

De term 'allochtoon' is van Griekse oorsprong en betekent letterlijk 'van een andere bodem'. Het woord werd oorspronkelijk gebruikt in de geologie als een bijvoeglijk naamwoord dat 'van elders aangebracht' betekent, of 'gevormd uit materiaal dat van elders is meegebracht'. Begin jaren 1970 werd de term 'allochtoon' in Nederland geïntroduceerd als zelfstandig naamwoord, als een neutraler alternatief voor 'buitenlander' of 'immigrant'. In het Vlaanderen van de jaren 1960 en 1970 werden de termen 'gastarbeider' en 'buitenlander' gebruikt; vanaf de jaren 1980 werd de term 'migrant' populair. Omdat veel jongeren die migranten worden genoemd in België zijn geboren, werd dat woord niet langer als gepast beschouwd, en sinds de jaren 1990 wordt het woord 'allochtoon' steeds vaker gebruikt in het publieke debat, in academische kringen en in de media. Volgens de officiële definitie is een persoon een 'allochtoon' als ten minste één van de ouders in het buitenland is geboren. Daarnaast zijn er twee onderscheiden: ten eerste, het verschil tussen allochtonen van de eerste en tweede generatie, en ten tweede, het verschil tussen westerse en niet-westerse allochtonen. Sinds 2010 wordt ook 'allochtoon' gezien als een woord met een negatieve connotatie, en verschillende autoriteiten en media (de Stad Gent of de krant De Morgen bijvoorbeeld) weren het woord tegenwoordig uit hun communicatie.

 

Ambiguïteit

De term ambiguïteit of dubbelzinnigheid komt uit het Latijn en betekent 'minstens tweezijdig', 'onopgelost', 'onzeker' of 'besluiteloos'. Ambiguïteit manifesteert zich in de taal, in het denken en als een eigenschap van de dingen die we ervaren. Dit kunnen objecten, afbeeldingen, plaatsen, concepten en zelfs andere mensen zijn. Voor Immanuel Kant probeerde de westerse filosofie ambiguïteit vooral te elimineren, maar filosofen als Søren Kierkegaard, Friedrich Nietzsche, Martin Heidegger en Simone de Beauvoir verwierpen het ideaal van eenduidigheid, dat nog steeds voortleeft in de natuurwetenschappen. Tegenwoordig is ambiguïteit een sleutelbegrip voor filosofen, sociale wetenschappers, schrijvers en kunstenaars die zich verzetten tegen ondubbelzinnige interpretaties van de werkelijkheid, in het besef dat mens-zijn ook betekent fundamenteel dubbelzinnig of onopgelost te zijn. De psychoanalytica Else Frenkel-Brunswik legde een verband tussen onze tolerantie voor dubbelzinnige dingen en onze manier van in de wereld te staan: hoe toleranter we zijn voor dubbelzinnige stimuli, hoe meer we geneigd zijn een open en tolerante samenleving te waarderen.

 

Kunst

Kunst kan gedefinieerd worden als de activiteit van het creëren van visuele, literaire, performatieve, decoratieve en auditieve vormen die menselijke facetten zoals emotie, schoonheid, mening, herinnering en geloof weerspiegelen. Sinds de vroege mens kunst begon te maken, was kunst nauw verbonden met spiritualiteit en aanbidding. We kunnen aannemen dat kunst in de westerse wereld  modern werd nadat ze de religieuze ruimte had verlaten en nieuwe esthetische vormen en waarden had aangenomen. Filosofen als Thierry de Duve proberen te begrijpen wat hedendaagse kunst ontologisch is, en stellen vast dat kunst een unieke ervaringscategorie is, die echter een dubbelzinnige status heeft in de samenleving.

 

Assimilatie

Assimilatie is het proces waarin een minderheid – hetzij een individu, dan wel een groep – 'geabsorbeerd' wordt in een dominante groep, en er een onderdeel van wordt. Individuen of groepen kunnen enerzijds de waarden, het gedrag en de overtuigingen van de dominante groep overnemen, maar ze kunnen de cultuur ervan ook beïnvloeden of er zaken aan toevoegen. Doorheen de geschiedenis zijn er verschillende vormen van culturele assimilatie geweest; afhankelijk van de omstandigheden en het soort groep ging het daarbij om een snelle of geleidelijke verandering. Volledige assimilatie vindt plaats wanneer leden van een samenleving niet meer te onderscheiden zijn van die van de dominante groep. Assimilatie kan geforceerd of natuurlijk zijn. Gedwongen assimilatie heeft vooral betrekking op groepen die gekoloniseerd werden in de periode van de achttiende tot en met de twintigste eeuw. Dit soort assimilatie omvatte religieuze bekering, het beïnvloeden van bestaande genderrollen, de verdeling van lokaal eigendom onder buitenlandse mogendheden, en de eliminatie van lokale economieën en tradities. Assimilatie wordt vaak  gecontrasteerd met multiculturalisme, aangezien multiculturalisme ernaar streeft om culturele verschillen binnen een gemeenschap naast elkaar te laten bestaan. In realiteit is dit echter een valse polemiek, aangezien multiculturalisme en assimilatie gelijktijdige processen kunnen zijn.

 

Kapitalisme

Kapitalisme is een economisch en politiek systeem dat gebaseerd is op privébezit van de productiemiddelen, vooride de productie van goederen en diensten op de vrije markt. Het vrijemarkt- (of laissez-faire) kapitalisme, dat vaak gezien wordt als tegengesteld aan de principes van het socialisme, dat rijkdom herverdeelt via belastingen, impliceert een absoluut minimum van overheidsinmenging in de economische zaken van individuen en de samenleving. Dit is het model van de VS, waar deelname aan het kapitalistische systeem als synoniem wordt gezien met vrijheid. Het neoliberalisme, soms ook liberaal kapitalisme genoemd (in tegenstelling tot een gecoördineerde markteconomie), wordt door sommigen gezien als een ideaal modern en zelfs moreel systeem (Ayn Rand). Critici zien het echter als de drijvende kracht achter de groeiende ongelijkheid tussen arm en rijk, maar ook als een onhoudbaar en – op alle vlak – uitputtend en uitbuitend systeem. Het woord 'kapitaal' is afgeleid van de Latijnse wortel caput, wat 'hoofd' betekent, en van het – recentere – middeleeuws-Latijnse woord capitale, ‘roerend goed, basisbedrag’.

 

Communisme

Communisme is zowel een ideologie als een sociaaleconomisch en politiek systeem, gebaseerd op het idee van het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen, als basis van sociale gelijkheid. Binnen de communistische samenleving – die klasseloos wil zijn – draagt iedereen bij naar vermogen, en ontvangt elkeen naar behoefte. Het communisme omvat een grote verscheidenheid aan ideologieën, bewegingen en scholen; de prominentste ideologie (beweging, 'school') is verbonden met de economische en filosofische theorieën van Karl Marx, en  met zijn kritiek op het kapitaal. Hoewel de mogelijkheid van het bestaan van communistische staten of gemeenschappen nog steeds een punt van discussie is, wordt het historisch bestaande communisme doorgaans geassocieerd met het politieke en economische model van de voormalige Sovjet-Unie en haar bondgenoten. 

 

Burger/subject

Een burger is een individu dat volgens de wet lid is van een soevereine sociaal-politieke gemeenschap, zoals een natiestaat. Een persoon kan meerdere staatsburgerschappen bezitten, van verschillende naties; een persoon zonder staatsburgerschap wordt als een stateloze gezien. Er is een correlatie tussen de status van subject en die van burgerschap, maar de status van subject wordt vaak gebruikt in landen waarin de belangrijkste autoriteit de monarch is (monarchieën); daar wordt het subject ook onderdaan genoemd. Historisch gezien heeft een burger burgerrechten, terwijl een onderdaan er geen heeft, aangezien hij onder de heerschappij van een vorst leeft.

 

Beschaving(en) 

De term 'beschaving' was wijdverbreid, in het enkelvoud, tot aan het eind van de negentiende, begin twintigste eeuw, als aanduiding van een geavanceerde cultuur en maatschappij – in tegenstelling tot de barbarij en 'primitieve' culturen. Hij kan ook verwijzen naar de historische vooruitgang van de mensheid en naar de totaliteit van haar prestaties op allerlei vlakken. De verschuiving weg van een westers perspectief, stelde de lineaire vooruitgang van de geschiedenis in vraag en maakte het mogelijk om over beschavingen in het meervoud te praten. 'Beschavingen' wordt ook gebruikt om de omvangrijkste culturele identiteiten van de mensheid te beschrijven. In zijn controversiële boek The Clash of Civilizations uit 1996 stelt de Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington dat, hoewel het tijdperk van de ideologie na de Koude Oorlog was beëindigd, de wereld slechts hervallen was naar een eerdere, 'normale' toestand, die wordt gekenmerkt door cultureel conflict. Hij voorspelde daarbij dat het idee van verschillende beschavingen – waarbij beschaving dus de breedst mogelijke 'categorie' van culturele identiteit is – steeds nuttiger zou blijken voor het analyseren van potentiële conflicten. Hij citeert het uiteenvallen van Joegoslavië en de breuk tussen India en Pakistan als voorbeelden van conflicten tussen beschavingen.

 

Kolonialisme

De term kolonie komt van het Latijnse woord colonus, wat boer betekent. Kolonialisme is een praktijk van overheersing, waarbij het ene volk door het andere wordt onderworpen, meestal met het oog op economische dominantie. Tijdens het kolonisatieproces kunnen kolonisten hun culturele praktijken, religie, arbeidsomstandigheden en taal opleggen aan inheemse volkeren. De kolonisator probeert te profiteren van de mensen en de middelen van de gekoloniseerde regio. Kolonialisme wordt sterk geassocieerd met de Europese koloniale periode, die begon in de vijftiende eeuw. Aanvankelijk volgden de Europese koloniserende landen een mercantilistisch beleid, met als doel de economie van de eigen natie te versterken, en de koloniën legden gewoonlijk overeenkomsten op die stipuleerden om enkel met de koloniserende natie handel te drijven. Halverwege de negentiende eeuw gaf het Britse rijk echter het mercantilisme op, ten voordele van het principe van vrijhandel. België controleerde Belgisch Congo (vandaag de Democratische Republiek Congo) van 1908 tot 1960, en Ruanda-Urundi (vandaag Rwanda en Burundi) van 1922 tot 1962. Belgisch Congo was eerst, onder de naam Kongo-Vrijstaat, het persoonlijk eigendom van koning Leopold II, voordat de soevereiniteit in 1908 werd overgedragen aan de Belgische staat. Van de zestiende tot de negentiende eeuw vond binnen het Europese koloniale systeem de zogenaamde trans-Atlantische slavenhandel plaats, waarbij Europese slavenhandelaren – voornamelijk uit Portugal, Spanje, Groot-Britannië, Nederland en Frankrijk – 10 tot 12 miljoen Afrikaanse slaven naar de Caraïben en naar Noord- en Zuid-Amerika exporteerden. Christelijke missionarissen waren actief in de meeste door Europa gecontroleerde koloniën. Er wordt geschat dat de koloniale machten in 1914 de controle over 84% van de wereld hadden verworven. Na WOII werden ze gedwongen zich terug te trekken, en tussen 1945 en 1975 werden bijna alle koloniën onafhankelijk en gingen ze postkoloniale betrekkingen aan met de voormalige kolonisatoren.

 

Cultuur 

Het woord cultuur komt van het Latijnse cultura en is afgeleid van colere: 'bebouwen', 'bewerken', 'cultiveren'. Cultuur is een complexe term die wordt gebruikt om sociaal gedrag, normen en activiteiten in samenlevingen te beschrijven, inclusief gedeelde kennis, overtuigingen, kunst, wetten, gebruiken, tradities en gewoonten. Groepen ontwikkelen cultuur door processen van lokale enculturatie en socialisatie, zoals blijkt uit de diversiteit van culturen binnen samenlevingen. Een 'culturele norm' dient als richtlijn voor gedrag, taal, kleding en algemene houding in een culturele context. Het accepteren van slechts één een monocultuur binnen een sociale groep kan risico's met zich meebrengen, net zoals een enkel gewas kan verdorren wanneer er zich omgevingsveranderingen voordoen, want het vermogen om met verandering om te gaan – om zich aan te passen – zal ontbreken. Een andere betekenis van de term 'cultuur' is de mate waarin een individu of groep een bepaald niveau van verfijning in de kunsten, wetenschappen, onderwijs of 'manieren' heeft ontwikkeld. Historisch werd dit soms gebruikt om 'beschavingen' te onderscheiden van minder complexe samenlevingen. Dergelijke hegemonische perspectieven op cultuur vinden we ook   in een op klasse gebaseerd onderscheid tussen een 'hoge' cultuur van de sociale elite en een 'lage', populaire of volkscultuur van de 'lagere' klassen.

 

Cultuurstrijd

De uitdrukking cultuurstrijd of cultuuroorlog is een vertaling van het Duitse Kulturkampf. Ze werd voor het eerst gebruikt in de tweede helft van de negentiende eeuw om te verwijzen naar de machtsstrijd tussen de rooms-katholieke kerk en de Duitse regering, onder leiding van rijkskanselier Otto von Bismarck. Vandaag wordt het concept meer in het algemeen gebruikt om te verwijzen naar de strijd tussen tegenstrijdige culturele waarden binnen een samenleving. Met zijn theorie van culturele hegemonie stelde de Italiaanse marxistische journalist, filosoof en politicus Antonio Gramsci in de jaren 1920 hoe een cultureel diverse samenleving wordt gedomineerd door de groep die de massamedia, het onderwijs en andere grote instellingen controleert. Begin jaren 1990 introduceerde de socioloog James Davison Hunter het concept van cultuuroorlog in de VS, om de polarisatie van de samenleving langs ideologische lijnen – 'conservatieven' versus 'progressieven' – te beschrijven. De zogenaamde schoolstrijd in de negentiende en twintigste eeuw tussen het rijksonderwijs en het katholieke onderwijs rond de kwestie van religie in het onderwijs en de subsidiëring ervan, wordt gezien als een voorbeeld van cultuurstrijd in België.

 

Tegencultuur

Een tegencultuur is een cultuur of gemeenschap waarvan de waarden en gedragsnormen substantieel verschillen van – of in strijd zijn met – die van de reguliere samenleving. Sommige tegenculturen bereiken zelfs zo'n momentum dat ze een bredere culturele verandering veroorzaken. Historische voorbeelden van tegenculturen in de westerse wereld zijn onder meer de Franse non-conformistes in de jaren 1930, de hippiebeweging in de jaren 1960, de punk in de jaren 1970 en 1980, en de ravebeweging van de jaren 1980 en 1990. Sommigen beschouwen permacultuur, een  duurzaam landbouwsysteem, als een tegencultuur. Tegenculturen kunnen ontstaan over het hele sociale en ideologische spectrum. Recent werden fenomenen als alt-right, Me Too of Black Lives Matter in de VS ook beschouwd als tegenculturele bewegingen.

 

Conservatisme

Conservatisme is een politieke en culturele filosofie die traditionele instellingen promoot in de context van een sociale groep. Hoewel historisch geassocieerd met rechtse politiek, wordt de term gebruikt om een breed scala aan opvattingen te beschrijven. In feite is er geen vaste reeks beleidsmaatregelen of principes die als conservatief worden beschouwd, aangezien de betekenis van conservatisme afhangt van wat in een bepaalde context als traditioneel wordt beschouwd. Toch kunnen we een aantal centrale principes van conservatisme identificeren, waaronder traditie, autoriteit, eigendomsrechten, behoud van erfgoed, religieuze instellingen en (meestal) een parlementaire staatsvorm, waarbij de nadruk komt te liggen op sociale stabiliteit en continuïteit. Sociaal conservatisme is gebaseerd op de overtuiging dat de samenleving is gebouwd op relaties die moeten worden gehandhaafd door het behoud van moraliteit en sociale zeden, en door het bestrijden van radicale sociale veranderingen. In veel landen hangen conservatieven een traditionele definitie van gezinswaarden aan en van het huwelijk als een overeenkomst tussen één man en één vrouw, en nemen ze anti-abortus- en anti-atheïstische standpunten in. Conservatieven vinden soms ook dat artistieke praktijken traditioneel moeten blijven, waarbij ze de hedendaagse artistieke praktijk als iets progressiefs en dus discutabels zien.

 

Dekolonisatie

Dekolonisatie is het proces waarbij een kolonie onafhankelijk wordt van haar kolonisator. Het concept is met name van toepassing op de kolonies die onafhankelijk werden van de Europese koloniale machten in de tweede helft van de twintigste eeuw. (Maar ook vandaag bestaan er er nog  tal van  kolonies.) Op basis van het fundamentele recht op zelfbeschikking wordt nog steeds aanspraak gemaakt op dekolonisatie, ook binnen onafhankelijke staten – in het geval van inheemse volkeren die naar autonomie streven bijvoorbeeld. Dekolonisatie wordt soms verward met dekolonialisme, maar hoewel het er niet los van staat, is het een apart concept. Dekolonialisme is een denkrichting die zich richt op de productie van ideeën en kennis, en die daarbij de eurocentrische of hegemonische blik vermijdt en bestrijdt. Het bekritiseert de zogenaamde  universaliteit van de westerse kennis en de vermeende superioriteit van de westerse cultuur. Vanuit een dekoloniaal perspectief is het westerse imperialisme dus ook gebaseerd op een culturele hegemonie.

 

Ethiek

Ethiek is een tak van de filosofie die zich bezighoudt met de kritische reflectie op, en de verdediging en ontwikkeling van morele concepten, waarden en noties van goed en kwaad in een samenleving. Zoals blijkt uit de etymologie van de term – het Griekse èthos betekent 'norm' of 'gewoonte' – draait ethiek rond het juiste of 'goede' handelen. De ethiek bestrijkt een breed gebied, van dierenwelzijn tot mensenrechten, oorlogsvoering, politieke en openbare praktijken en zelfs artistieke expressie. Vaak verschilt een ethiek ook van sociale groep tot sociale groep. In de politieke ethiek worden morele oordelen geveld over politieke acties en actoren. In de Verenigde Staten spreekt men ook wel over ‘public sector ethics’. Het gaat daarbij om een reeks principes die als leidraad dienen voor overheidsfunctionarissen en instellingen, bij hun dienstverlening aan de burger.

 

Etniciteit

Etniciteit is een categorie die een groep mensen gebruikt om zichzelf te identificeren en te onderscheiden van andere groepen mensen, waarbij men uitgaat van gedeelde kenmerken die wijzen op een (vermeende) afkomst. Daarbij baseert men zich op een geschiedenis, mythologie, vaderland, taal of religie, die gedeeld worden en overgeërfd zijn, en op gemeenschappelijke gebruiken en rituelen, gerechten, manieren van kleden, kunsten en ambachten. Het is mogelijk dat individuen de ene etnische groep verlaten en deel gaan uitmaken van een andere, doordat ze van taal switchen, zich assimileren, of zich bekeren. Zo gezien kan etniciteit een culturele constructie worden genoemd.  De term 'etnische minderheid' wordt gebruikt om etnische groepen aan te duiden die in een land of regio wonen waar ze een minderheid vormen. Etnocentrisme wordt door etnografen en psychoanalytici geïdentificeerd als een sleutelkenmerk van autoritarisme en zelfs extremisme.

 

Etnonationalisme

Het centrale politieke idee van etnonationalisme (of etnisch nationalisme) is dat etnische groepen ondubbelzinnig kunnen worden geïdentificeerd als de mensen, als het volk van een natie. In tegenstelling tot een interpretatie van etniciteit als een cultureel construct, geeft etnonationalisme er een essentialistische en nationalistische invulling van. Leden van heel verscheiden etnische groepen en naties laten zich leiden door etnonationalisme; het gaat daarbij om steeds meer gepolitiseerde vormen van homogene identificatie. In tal van landen vindt dit proces plaats binnen de context van debatten rond multiculturalisme.

 

Europa

Europa is het meest westelijke subcontinent van het supercontinent Eurazië. Een culturele definitie van Europa werd voor het eerst gebruikt in de negende eeuw, om de Rooms-Katholieke kerk met haar invloedssfeer te onderscheiden van de islamitische wereld en de oosters-orthodoxe kerk. Europa, met name het oude Griekenland, wordt beschouwd als 'de wieg van de westerse beschaving'. De naam Europa is afgeleid van Europa uit de Griekse mythologie, de Fenicische prinses die door Zeus werd ontvoerd en naar Kreta werd gebracht.

 

Vrijheid

Vrijheid is de notie van 'vrij' zijn en 'vrij' handelen. We treffen het begrip aan in sociale en politieke fenomenen en in constructies  als burgerlijke vrijheden, vrije wil, vrijheid van meningsuiting, politieke vrijheid en autonomie in leven en samenleving. Veel regeringen installeren vrijheid, en  verzekeren dat het als een recht wordt gegarandeerd. Vrijheid is een gepolitiseerde en omstreden term. Zo zijn er in Amerika libertaire groeperingen die vrijheid bepleiten als het voorrecht van persoonlijke autonomie over staatsmacht: het recht op eigendom bijvoorbeeld, of het privilege van persoonlijke rijkdom, of het recht om wapens te dragen.

 

Gender

De term 'gender' werd geïntroduceerd om op de sociale constructie van mannelijkheid en vrouwelijkheid te duiden, in tegenstelling tot de notie van een biologisch geslacht. In de meeste culturen komt een binair geslacht voor: jongen-meisje, man-vrouw. Toch hebben sommige samenlevingen ook een specifiek gender naast 'man' en 'vrouw'. De Hijra-bevolking in Zuid-Azië wordt bijvoorbeeld aangeduid als derde geslacht (of vierde geslacht, enz.). Voor mensen die buiten de binaire opdeling vallen worden de overkoepelende termen genderqueer en niet-binair gebruikt. De filosofe Judith Butler stelt dan weer een theorie voor van 'gender-performativiteit'. Volgens de theorie worden mannelijkheid en vrouwelijkheid continu gecreëerd door herhaalde (spraak)handelingen, en zijn ze alleen herkenbaar als herhaling of patroon. Volgens Butler zijn er geen fundamentele genderidentiteiten die voorafgaan aan taal en daden: onze daden zorgen ervoor dat we zowel onszelf als anderen begrijpen als genderspecifieke lichamen en individuen.

 

Globalisering

Globalisering is het wereldwijde interactie- en integratieproces tussen mensen, economieën en regeringen. Hoewel veel analisten de oorsprong van de globalisering in de moderne tijd situeren, traceren anderen de geschiedenis ervan enkele eeuwen en zelfs millennia terug. De term zelf verscheen voor het eerst aan het begin van de twintigste eeuw en werd in de jaren 1990 populair. De globalisering is sinds de negentiende eeuw in een versnelling terechtgekomen als gevolg van  technologische vooruitgang, met name op het gebied van communicatie en reizen. Het is in de eerste plaats een proces van economisch harmonisering dat ook samenhangt met migratie en kennisuitwisseling. Globalisering werd en wordt om verschillende redenen bekritiseerd: vanwege de globaliseringsoperaties en -instituten die de natiestaten vervangen, vanwege het neokolonialisme van multinationale ondernemingen die natuurlijke hulpbronnen exploiteren, en vanwege een enorm toenemende onevenwichtige verdeling van rijkdom, die de spanningen tussen de klassen opdrijft. Ook milieuproblemen zoals de opwarming van de aarde en de mondiale water- en luchtverontreiniging, werden in verband gebracht met globalisering, evenals het risico van wereldwijde pandemieën.

 

Homogeniteit/heterogeniteit

In maatschappelijke termen wordt het woord 'homogeniteit' gebruikt om de staat van uniformiteit van een samenleving te beschrijven, inclusief de etniciteiten, culturen en sociale praktijken die erin voorkomen. Heterogeniteit verwijst in deze context naar een samenleving of een groep die mensen met verschillende etniciteiten, geslachten, genders, politieke meningen en andere achtergronden omvat. Homogeniteit en heterogeniteit sluiten elkaar niet noodzakelijk uit, aangezien een heterogene groep nog steeds gedragsmatig homogeen kan zijn, en vice versa.

 

Identitarisme

Identitarisme is het geloof in het bestaan van verschillende homogene culturele identiteiten, die ook beschermd moeten worden. Het stelt identiteit centraal in de aflijning van het zelf, binnen de context van de specifieke samenleving of de nationale cultuur waarmee men zich identificeert. Die laatste is primair gebaseerd op (wat waargenomen wordt als) één ras en wordt vaak intrinsiek verbonden met factoren als religie, cultuur en geografisch territorium. Geradicaliseerde vormen van identitarisme proberen het monoculturele begrip van de eigen samenleving te beschermen en verzoeken daarom vermeende tegenstanders te bekampen die geacht worden de aard van een nationale of regionale identiteit te veranderen of te bedreigen. Men probeert hun aanwezigheid te bestrijden en, in extreme gevallen, hen uit te roeien. Een vroeg gebruik van de term vinden we bij Franse sociologen en antropologen die een 'repli identitaire' (een identitaire terugtrekking, een identitair 'in zichzelf keren') vaststellen bij immigranten die niet voldoende geïntegreerd zouden zijn (onder andere door discriminatie) en bij de arbeidersklasse in de 'inheemse' bevolking (vanuit racistische motieven).

 

Immigrant

Een immigrant is iemand die naar een nieuw land of een nieuwe bestemming verhuist waar hij of zij niet onmiddellijk het staatsburgerschap bezit – om er te gaan wonen en settelen. Internationaal migreren mensen om allerlei sociaal-economische redenen, vaak om via een permanente verblijfsvergunning of als genaturaliseerd burger in het land van bestemming te gaan wonen, of om er als arbeidsmigrant te werken. Mensen migreren ook om asiel aan te vragen vanwege vervolging, genocide, oorlog en sociale marginalisatie. Immigratie heeft gedurende de hele geschiedenis van de mensheid plaatsgevonden en is van fundamenteel belang geweest bij de vorming en ontwikkeling van samenlevingen wereldwijd.

 

Inheemsheid

Inheemse volkeren worden vaak geïdentificeerd als de afstammelingen van de eerste mensen van een specifieke regio. Zij leefden er dus al wanneer mensen van een andere cultuur of etnische afkomst in die regio toekwamen vanuit andere delen van de wereld, de regio veroverden en de 'eerste mensen' overwonnen, en er zich vestigden. 'Inheemsheid' kwam in gebruik in de jaren 1990, toen tal van gekoloniseerde gemeenschappen vochten tegen uitroeiing, genocide en gedwongen acculturatie. Inheemse volkeren en gemeenschappen worden onder de staatsstructuur van de dominante groep (die vreemd is aan hun sociale structuur) geplaatst en zijn vaak minderheden binnen de actuele bevolking. Ze ijveren dan ook voor het behoud van hun gewoonten, tradities en andere aspecten van hun etnische identiteit, en voor het behoud van hun voorouderlijke territoria. Dit alles willen ze veiligstellen voor toekomstige generaties.

 

Individu

Een individu iemand die bestaat als een aparte entiteit met een unieke persoonlijkheid. Individualiteit (of 'zelfheid') is het feit of de kwaliteit een individu te zijn, afgescheiden van anderen en met eigen behoeften, verbeeldingskracht, verlangens, rechten en verantwoordelijkheden. Het concept 'individu' komt voor in verschillende domeinen, waaronder de biologie, het recht en de filosofie. Individualisme is een filosofisch concept dat de morele voorrang van het individu op het collectief en de overheid benadrukt. Individualisme staat voor zelfbeschikking en zelfredzaamheid, en kan ook verwijzen naar iemands persoonlijkheid, bijvoorbeeld in de zin van artistieke interesses en levensstijlen.

 

Integratie

Integratie is een sociaal proces waarbij nieuwkomers of minderheden worden opgenomen in de sociale structuur van een gastmaatschappij. Assimilatie is het proces waarbij een minderheidsgroep de sociale normen en attitudes van de gastheer overneemt. Evenzo kan integratie gebaseerd zijn op het principe van acculturatie – culturele verandering gebaseerd op de ontmoeting van verschillende culturen. Integratie vereist aanpassing en participatie binnen een bevolkingsgroep om zo tot een stabiele samenleving te komen door middel van coëxistentie en coherente sociale relaties.

 

Internationalisme

Internationalisme is een cultureel of politiek principe dat pleit voor meer samenwerking tussen naties en volkeren. Het wordt soms geassocieerd met politieke en ideologische bewegingen, maar men kan ook streven naar internationalisme in een niet-politieke context. Internationalisme vertrekt vanuit de overtuiging dat mensen zich moeten verenigen over nationale, politieke, culturele, raciale of klassengrenzen heen, voor het algemeen goed. Internationalisme wordt soms gekenmerkt door  verzet tegen nationalisme of isolationisme, en promoot het wederzijds respect tussen culturen. Internationalisme is sinds de jaren 1990 ook een van de belangrijkste kenmerken van hedendaagse kunst, op het moment dat de westerse kunstwereld zich opende voor kunstenaars, praktijken en scenes uit andere delen van de wereld.

 

Seksualiteit

Seksualiteit is het vermogen om actief te zijn als seksueel wezen en dat tevens uit te drukken, ook tegenover anderen. Dit houdt in dat individuen erotische ervaringen hebben en seksuele oriëntaties verkennen die zich biologisch, emotioneel of sociaal manifesteren. Over de oorsprong van iemands seksuele geaardheid verschillen de meningen, en vaak volgen ze ideologische lijnen. Meestal verwijst men dan naar het ‘nature versus nuture’-debat (natuur versus opvoeding), namelijk of seksualiteit wordt bepaald door sociaal-culturele factoren, dan wel door biologisch instinct. In de hoofdstroom van veel grote religies zoals het christendom, het jodendom en de islam wordt homoseksualiteit als zondig beschouwd, maar de homo-bevrijdingsbewegingen van de twintigste eeuw hebben in tal van landen geijverd om homoseksuelen, en anderen die zich niet als heteroseksueel identificeren, wettelijke rechten te geven en bescherming te bieden.

 

Identiteitspolitiek

Identiteitspolitiek slaat op culturele of sociale bewegingen die ijveren voor sociale zichtbaarheid, gerechtigheid en gelijkheid voor bepaalde groepen of individuen, op basis van ras, gender, seksualiteit, sociale klasse, of religie (of een andere identificerende factor) en die door maatschappelijk onrecht onderhevig zijn aan processen van marginalisatie. Identiteitspolitiek heeft dus als doel om, via een verhoogde zichtbaarheid van die groepen, sociale en politieke veranderingen teweeg te brengen. Identiteitspolitiek wordt beschouwd als een bijzonder middel om een progressieve, sociale en vrije samenleving te bereiken. Met identiteitspolitiek wordt ook verwezen naar de methoden die artistieke bewegingen uit de jaren 1970 en 1980 zoals de Black Artists Movements en de Feminist Movement in de VS en Groot-Brittannië gebruikten, bewegingen die ook vandaag een zekere heropleving kennen.

 

Ideologie

Een ideologie is een systeem van ideeën dat de belangen, idealen, overtuigingen en het overkoepelende wereldbeeld van bepaalde groepen uitdrukt. Ideologie is gericht op actie, waarbij   ofwel een bestaande machtsverdeling in de samenleving wordt bekrachtigt, dan wel een radicale transformatie geëist. Ideologieën kunnen dominante krachten worden op geopolitiek vlak. Dominante ideologieën van de twintigste eeuw zijn het nationaalsocialisme of nazisme, het communisme en het kapitalisme. Ideologieën concurreren vaak binnen één samenleving en manifesteren zich in groepen die zich bijvoorbeeld identificeren als 'conservatieven' of 'progressieven', wat zich ook vaak vertaald in partijpolitieke voorkeuren. De term heeft vaak een negatieve connotatie. Hij staat dan voor een verbeeld collectief sociaal bewustzijn of een indoctrinatie.

 

Taal

Taal is een gestructureerd communicatiesysteem. Taalkundigen schatten dat er wereldwijd tussen de 5000 en 7000 menselijke talen zijn, maar deze schattingen zijn onnauwkeurig, en ze maken een willekeurig onderscheid tussen dialecten en talen. Talen evolueren en diversifiëren in de loop der tijd, en ontwikkelen zich tot taalfamilies. De Indo-Europese familie wordt het meest gesproken en omvat talen die zo divers zijn als Portugees, Russisch, Urdu, Engels, Nederlands en Farsi. Vanuit sociolinguïstisch perspectief kan taal zowel een verbindende als een verdelende rol spelen in de samenleving. Het Engels wordt beschouwd als 's werelds belangrijkste lingua franca. De Belgische filosoof Philippe Van Parijs heeft het concept van 'taalrechtvaardigheid' ontwikkeld als remediëring voor het privilege dat het Engels geniet. Taalrechtvaardigheid zou verschillende maatregelen omvatten, waaronder een taalbelasting die wordt betaald door Engelssprekende landen, naast andere maatregelen om zwakkere talen te beschermen. Talen ontwikkelen zich traditioneel als onderdeel van een cultuur, maar er zijn ook voorbeelden van kunstmatige talen. Hier is het de intentie om een nieuwe lingua franca of universele taal te creëren. Esperanto is het bekendste voorbeeld.

 

Liberalisme/progressisme

De Engelse term ‘cultural liberalism’ verwijst naar een progressieve ethische en sociale kijk op de maatschappij, waarbij sociaal-culturele kwesties als maatschappelijke gelijkheid, rechten van minderheden, abortus, seksuele vrijheid, vrijheid van religie en vrije meningsuiting centraal staan.   De termen stelt Europese vertalers voor problemen, want in Europa krijgt 'liberalisme' een eerder politiek-economische invulling. 'Progressisme' zou al dichter in de buurt komen, en iemand die in de VS ‘liberal’ wordt genoemd, is hier dan ook eerder 'progressief'. Toch zijn er ook overlappingen, en zullen Europese liberalen die zichzelf progressief noemen op sociaal vlak veel waarden delen met pakweg sociaaldemocraten – rond bijvoorbeeld euthanasie, liberalisering van softdrugs, gelijke rechten voor leden van de LGTB-gemeenschap. De negentiende-eeuwse filosoof Henry David Thoreau begreep liberalisme als een kijk op de samenleving die de nadruk legt op individuen die vrij zijn van alle vooraf voorgeschreven culturele normen en die het recht hebben om 'op het ritme van een andere drummer te marcheren'. ‘Cultural liberals’ geloven in een open tolerante samenleving, en die samenleving mag strikt genomen geen specifieke gedragscodes opleggen. Ze zien zichzelf als verdedigers van het recht je individualiteit uit te drukken, zolang niemand anders schade wordt berokkend. 'Liberalisme' in deze betekenis kan ook betrekking hebben op menselijke perceptie en het openstaan voor nieuwe ervaringen.

 

Moderniteit

Moderniteit, een onderwerp in de sociale- en de mesnwetenschappen, is zowel een historische periode (de moderne tijd) als het geheel van specifieke sociaal-culturele normen, houdingen en praktijken die zijn ontstaan in de overgang van ‘traditionele’ gemeenschappen naar moderne samenlevingen. Moderniteit, vaak geassocieerd met rationaliteit, omvat een breed scala aan historische processen en culturele verschijnselen, van kunst over voedselproductie tot oorlogsvoering. Daartoe hoort ook de existentiële ervaring van die verschijnselen, en de voortdurende impact op cultuur, werk, instellingen en politiek. Moderniteit omvat ook sociale relaties in het leven onder het kapitalisme, en verschuivingen in attitudes, met name door secularisatie en het zogenaamd 'postindustrieel' leven. In de sociale wetenschappen wordt de moderniteit ook begrepen als een historische periode waarbinnen zich bepaalde sociaal-culturele normen, attitudes en praktijken ontwikkelen (waarvoor de kiemen reeds werden gelegd in de renaissance en de achttiende-eeuwse verlichting). In de kunst is de moderniteit nauw verbonden met het esthetisch modernisme, en ontwikkelingen zoals existentialisme. In de late negentiende en vroege twintigste eeuw werd de moderne kunst een dominante beweging in West-Europa en Noord-Amerika. In grote lijnen zocht de beweging naar het creëren van nieuwe kunstvormen die de nieuw opkomende industriële wereld beter weerspiegelde. Een bijzonder kenmerk van het modernisme is het bewustzijn van de eigen artistieke en sociale tradities, maar ook het experimenteren, en het gebruik van technieken die de processen en materialen rationaliseren die worden gebruikt bij het maken van kunstwerken. De poging om de relatie tussen geoculturele verschillen te verklaren, vormt een fundamentele uitdaging om de conditie van de moderniteit te begrijpen. Zo werd het geloof in de veronderstelde universaliteit van de moderniteit bekritiseerd door het postmodernisme, en werd de dominantie van het modernisme, en de export ervan vanuit West-Europa en de VS naar andere continenten, gedeconstrueerd door de postkoloniale theorie.

 

Monocultuur

In maatschappelijke termen kan monocultuur worden gedefinieerd als de homogene levenswijze en expressie van een bepaalde sociale of etnische groep. Als politieke praktijk probeert monoculturalisme een nationale cultuur te beschermen door externe invloeden uit te sluiten. Het kan soms betekenen dat men gelooft in de superioriteit van de eigen dominante groep, ten opzichte van bepaalde minderheden. In deze context kan monoculturalisme een assimilatieproces inhouden waarbij minderheidsgroepen zich moeten aanpassen aan de dominante cultuur en praktijken, waardoor er culturele homogeniteit ontstaat. Net als het woord 'cultuur' komt het woord 'monocultuur' uit de landbouw, waar het gebruikt wordt om de praktijk te beschrijven van het kweken van één enkel dierenras of het verbouwen van een enkel gewas. Deze techniek  resulteerde in planten die in feite klonen zijn, hoewel men dacht de 'oorspronkelijke' of 'pure' vorm van de plant te hebben bereikt. Monocultuur wordt veel gebruikt in zowel de industriële als de biologische landbouw en heeft geleid tot een grotere efficiëntie bij productie en oogst, terwijl tegelijkertijd het risico op blootstelling aan ziekten of plagen toenam.

 

Multiculturalisme

Multiculturalisme kan worden gedefinieerd als de diversiteit van expressie en levenswijzen in een bepaalde sociale groep. Als sociopolitieke ideologie bepleit het multiculturalisme de praktijk van gelijk respect voor de verschillende culturen binnen een samenleving, waarbij culturele en etnische diversiteit wordt bevorderd en omarmd. Politiek gezien kan multiculturalisme worden gedefinieerd als het vermogen van een staat om doeltreffend en efficiënt om te gaan met culturele pluraliteit binnen de soevereine grenzen. Multiculturalisme wordt beschouwd als een natuurlijk, dan wel een kunstmatig proces binnen de gemeenschap van een natie of een grotere geopolitieke entiteit. Het kan zich op grote schaal voordoen als gevolg van wereldwijde legale of illegale migratie. Aboriginals, inheemse of 'autochtone' (letterlijk 'van het eigen land') etnische groepen, en etnische groepen die van kolonisten afstammen, krijgen vaak aandacht binnen het multiculturalisme.

 

Natiestaat

Een natiestaat is een politieke entiteit die wordt gereguleerd door een regering die de macht heeft binnen het afgebakende grondgebied en die internationale betrekkingen onderhoudt met andere staten. Het was de Vrede van Westfalen die in 1648 een einde maakte aan de Europese godsdienstoorlogen, die de blauwdruk creëerde voor een nieuwe politieke orde gebaseerd op het principe van naast elkaar bestaande soevereine staten en nationale zelfbeschikking. Een natie kan ook een diaspora omvatten, of vluchtelingen die buiten haar gebied wonen. Sommige staten zijn soevereine staten, terwijl andere onderworpen zijn aan externe soevereiniteit of hegemonie, zoals in het geval van een kolonie, waarbij het hoogste gezag in een andere staat ligt. Een staat waarin geen enkele etnische groep domineert, kunnen we een multiculturele staat noemen.

 

Nationalisme

Nationalisme is zowel een idee als een beweging. Het doel is de behartiging van de belangen van één bepaalde groep mensen die zich identificeren met een bepaald land. Nationalisme stelt dat elke natie zichzelf moet regeren, met als kern de zelfbeschikking. Doorgaans wordt de constructie van één enkele nationale identiteit nagestreefd, gebaseerd op gedeelde sociale kenmerken op vlak van cultuur, etniciteit, geografische locatie, taal, politiek, religie, tradities, alsook het geloof in een gedeelde, unieke geschiedenis. Nationalisme probeert daarom de traditionele culturen van een land te behouden en te bevorderen, en ook culturele revivals werden in verband gebracht met nationalistische bewegingen. Nationalisme wordt vaak gecombineerd met andere ideologieën, zoals nationaal conservatisme of socialisme. Etnisch nationalisme definieert de natie in termen van gedeelde etniciteit, erfgoed en cultuur. Burgerlijk nationalisme definieert een natie in termen van gedeeld burgerschap, waarden en instellingen, en is gekoppeld aan constitutioneel patriottisme. In Imagined Communities uit 1983, een boek dat een historische analyse geeft van nationalisme, beschrijft politiek wetenschapper en historicus Benedict Anderson de 'natie' als een sociaal geconstrueerde gemeenschap, waarin mensen zich voorstellen dat ze deel uitmaken van een groep, daarbij beïnvloed door stereotypen en beelden die in de pers worden bestendigd. Nationalisme, zo schrijft hij: 'wordt verbeeld omdat de leden van zelfs de kleinste natie de meeste van hun medeleden nooit zullen kennen, ontmoeten of zelfs maar van hen horen, maar toch leeft in de hoofden van ieder het beeld van hun gemeenschap'. Nationalisme kan ook worden gezien in tegenstelling tot internationalisme, en dus tot meer politieke of economische samenwerking tussen naties.

 

Ander

De notie van 'de ander' is een van de centrale filosofische en sociaal-culturele categorieën. De definitie en interpretatie van de term varieert, maar in de meest algemene zin verwijst hij naar de relatie tussen een subject en een andere persoon of groep die wordt gedefinieerd als het niet-zelf. De toestand van anders-zijn is nauw verbonden met processen van marginalisatie en ondergeschiktheid van zij die 'vreemd' zijn aan de reguliere sociale identiteit. In de filosofie – bijvoorbeeld in de fenomenologie en het existentialisme – wordt de ontmoeting met de ander gezien als een sleutelfactor in de vorming van het zelf, ook al wordt de relatie met de ander vaak als antagonistisch gezien. Kunstcriticus en historicus Thomas McIvilley poneert: “Elk, in zijn zelfde-zelfheid [in its sameselfness], kent zichzelf en is onbekend voor de ander. Elk in zijn verschil is bekend voor de ander en onbekend voor zichzelf. […] Het is niet alleen dat de ander een mysterie is voor het zelf; de ander is een mysterie van het zelf. […] Het zelf kan de ander nooit bereiken en kan ook nooit zonder. […] Het zelf reikte naar de sluier van de ander en beefde bij het zicht van zichzelf. De ander glijdt onder de huid van het zelf en wordt zijn verlangen en zijn verschrikking.” Het concept, dat vaak wordt begrepen in de context van een binaire dominerende-gedomineerde-relatie, is historisch ook belangrijk geweest voor de postkoloniale en de genderstudies.

 

Outsiderkunst

De omstreden term 'outsider art' is het Engelse equivalent van de Franse term 'art brut' (het Nederlands volgt het Engels: outsiderkunst), die verwijst naar idiosyncratische kunstpraktijken, vaak van autodidactische of 'naïeve' kunstenaars die buiten de grenzen van de conventionele kunstwereld werken. In het begin werd de term voornamelijk geassocieerd met kunst van psychiatrische patiënten, maar hij werd uitgebreid naar een aantal andere gemarginaliseerde praktijken. De relaties tussen outsiderkunst en de reguliere kunstwereld zijn ambivalent. Hoewel de 'kunstvorm' werd geprezen door sommige moderne kunstenaars – vooral surrealisten, die niet alleen geïnspireerd waren door outsiderkunst, maar ze ook tentoonstelden naast hun eigen kunstwerken – wordt outsiderkunst meestal in een aparte context en binnen de eigen referentiekaders getoond. De term outsiderkunst is omstreden omdat psychoanalytici creativiteit en psychiatrische kwetsbaarheid als erg verwante gebieden zien, en de term outsider of 'buitenstaander' dus als een valse categorie beschouwen.

 

Populisme

Populisme kan worden gedefinieerd als een politieke houding en strategie waarbij men vindt dat de burgers, of 'het volk', worden uitgebuit door de dominante politieke 'elite', die niet het belang van allen dient. Populisme wordt niet bepaald door, en is evenmin typerend voor, politiek links noch rechts. Populisten zijn overtuigd dat politieke en sociale verandering bereikt moet worden via directe actie van de massa: het is haar mening die telt. Wanneer rechtse populisten mee regeren in liberale democratieën, zijn ze vaak verantwoordelijk voor een democratische terugval omdat ze onafhankelijke instellingen als de media of de rechterlijke macht ondermijnen. Die laatste zien ze immers als vijanden van de 'wil van het volk'.

 

Ras

Historisch gezien verwees de term 'ras' naar gedeelde fysieke kenmerken, waaronder, maar niet uitsluitend, de huidskleur, van een groep mensen. Ras heeft echter geen inherente fysieke of biologische betekenis, hoewel men wel eens spreekt van 'het menselijk ras', waarmee de soort homo sapiens, of de ondersoort homo-sapiens sapiens – de moderne mens – wordt bedoeld. Er is een brede wetenschappelijke consensus dat essentialistische of typologische conceptualiseringen van 'ras' onhoudbaar zijn. In het hedendaagse discours wordt 'ras' dan ook steeds vaker gebruikt om naar een sociale constructie te verwijzen. De associatie van ras met de in diskrediet gebrachte theorieën van eugenetica en wetenschappelijk racisme heeft ertoe bijgedragen dat ras steeds meer wordt gezien als een grotendeels pseudowetenschappelijk classificatiesysteem. In 1795 beschreef de Duitse arts Johann Friedrich Blumenbach vijf mensentypes: blanken, Mongolen, Ethiopiërs, Amerikanen en Maleisiërs, waarbij blanken de aantrekkelijkste waren van allemaal. 'Kaukasisch' verwijst normaal gesproken naar mensen die in het bergachtige gebied tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee wonen, maar omvat volgens Blumenbachs doortastende definitie iedereen van Europa tot India en Noord-Afrika. Zijn vage menselijke taxonomie zou blijvende gevolgen hebben: 'Kaukasisch' wordt nog steeds gebruikt, vooral in de VS, als pseudowetenschappelijke term om blanken met Europese roots te beschrijven, maar het gebruik is omstreden. In Duitsland is er nog steeds sprake van discussie rond het woord 'Rasse'. Anders dan in het Engels, waar 'ras' steeds vaker wordt gebruikt om te verwijzen naar een sociale constructie, heeft de Duitse ‘Rasse’ nog steeds de connotatie van een biologische essentie.

 

Religie

Religie is een socio-cultureel systeem dat onder andere praktijken, wereldbeelden, rituelen en soorten ethiek omvat die de mens positioneren als de ontvanger van leringen van transcendentale of spirituele bestaansorden, van goden of het goddelijke. Religie en het naleven van het geloof kent wereldwijd verschillende praktijken, waaronder rituelen, preken, inwijdingen, herdenkingsceremonies, meditatie en gebed. De abrahamitische religies zijn religieuze leerstelsels en gemeenschappen die beweren hun oorsprong te vinden in de praktijken van de oude Israëlieten en in het bijzonder de leringen van de profeet Abraham. Het zijn semitische religies die ontstonden  in het huidige Midden-Oosten. De drie grootste zijn het christendom, de islam en het jodendom. Wereldwijd zijn de grootste religies het christendom, de islam, het hindoeïsme en het boeddhisme, maar volgens sommige conservatieve schattingen zijn er ongeveer 4200 religies in de wereld, en er blijven steeds nieuwe religies en denominaties opduiken. Atheïsme is de ontkenning van het bestaan van goden of godheden. In sommige moderne samenlevingen bestaat er een veelvoud aan vormen van ongeloof en geloof.

 

Syncretisme

In brede zin verwijst syncretisme naar de samensmelting van verschillende verschijnselen of tegengestelde principes. De term wordt veel gebruikt in theologie en filosofie om een samensmelting van verschillende overtuigingen, praktijken en stromingen te beschrijven. Syncretische bewegingen stuiten vaak op weerstand van heersende geloofssystemen en worden er ook door aangeklaagd; in zo'n context wordt de term dus gebruikt met een negatieve ondertoon. Met betrekking tot de politiek verwijst syncretisme naar het idee van een 'derde weg', die de benaderingen van tegenstrijdige politieke standpunten combineert met het doel hen te verzoenen.

 

Maatschappij

Een maatschappij of samenleving is een grote groep die aanhoudend sociale relaties en interacties aangaat, die doorgaans hetzelfde ruimtelijke of sociale territorium deelt, en die dezelfde culturele verwachtingen heeft en onder dezelfde politieke autoriteit valt. Samenlevingen delen tevens een  economische, sociale, industriële of culturele infrastructuur. Een samenleving kan ook worden omschreven als de som van de hierboven aangehaalde relaties. Samenlevingen construeren gedragspatronen door bepaalde handelingen of uitspraken als aanvaardbaar of onaanvaardbaar te beschouwen – die men 'maatschappelijke normen' noemt. Samenlevingen ondergaan, net als hun normen, geleidelijke en voortdurende veranderingen. De voormalige Britse premier Margaret Thatcher verwierp de notie van samenleving ten gunste van die van individu, wat paste in haar neoliberale visie, waarin het individualisme een centrale rol kreeg toebedeeld. In die context sprak ze de beruchte woorden: “Ze werpen hun problemen op de samenleving. En weet je, er bestaat niet zoiets als de samenleving. Er zijn individuele mannen en vrouwen en er zijn gezinnen. En geen enkele regering kan iets doen, behalve via mensen, en mensen moeten eerst voor zichzelf zorgen. Het is onze plicht om voor onszelf te zorgen en dan, ook, voor onze buren.”

 

Derde wereld

De term derde wereld werd tijdens de Koude Oorlog door de Franse demograaf Alfred Sauvy bedacht om staten te definiëren die zich niet allieerden met een van de twee leidende machten en economische systemen van die tijd, de twee 'blokken': het Westen en de Sovjet-Unie. Daarmee werden meteen ook de economische 'ontwikkelingslanden' bedoeld, waaronder veel landen met een koloniaal verleden in Afrika, Latijns-Amerika, Oceanië en Azië. Het is vooral die laatste betekenis die de bovenhand haalde. De derde wereld paste ook binnen een bepaalde globale economische opdeling in 'eerste wereld' en 'perifere' landen. Die laatste werden gedomineerd door de landen van de 'eerste wereld', die wereldwijd de economische kern vormden. Sinds de val van de Sovjet-Unie wordt de term 'derde wereld' grotendeels als verouderd en pejoratief beschouwd. Hij werd meer en meer vervangen door andere, niet minder problematische termen zoals 'ontwikkelingslanden' of 'het Globale Zuiden'.

 

Tolerantie

Tolerantie is het vermogen, de houding en de bereidheid om onverdraagzaamheid te verwerpen en andere dan de eigen overtuigingen, meningen, ideeën, praktijken en gedragingen te accepteren. De term heeft een progressieve connotatie. In het Westen wordt hij vaak gebruikt in relatie tot migrantengemeenschappen. In dit geval kan er een duidelijke machtsverhouding zijn – de dominante gemeenschap voert een act van tolerantie op tegenover de minderheden, maar de minderheden moeten de dominante cultuur accepteren, eerder dan die te tolereren.

 

Totalitarisme

Totalitarisme is een politiek systeem of een politieke regeringsvorm die oppositiepartijen verbiedt, oppositie tegen de staat de kop indrukt en een extreem hoge mate van controle over een samenleving uitoefent. Het totalitarisme probeert vrijwel alle aspecten van het sociale leven, de economie, het onderwijs, de kunst, de wetenschap, het privéleven en de moraal te beheersen, en wordt beschouwd als de meest extreme vorm van autoritarisme. Totalitaire regimes worden vaak gekenmerkt door politieke onderdrukking, het ontbreken van democratische instellingen, persoonlijkheidscultus, economische controle, censuur, beperkte bewegingsvrijheid en wijdverbreid gebruik van staatsterrorisme. Andere aspecten van een totalitair regime zijn het opzetten van concentratiekampen, de vervolging van religieuze en andere minderheden en – potentieel – door de staat gesponsorde massamoord of genocide. In The Origins of Totalitarianism uit 1951 stelt politiek filosofe Hannah Arendt: “De ideale onderdaan van een totalitair bewind is niet de overtuigde nazi of de overtuigde communist, maar mensen voor wie het onderscheid tussen feit en fictie (d.w.z. de realiteit van de ervaring) en het onderscheid tussen waar en onwaar (d.w.z. de maatstaven van het denken) niet langer bestaat.”

 

Universalisme 

Universalisme is het filosofisch concept waarbinnen ‘universele’ feiten bestaan die ontdekt kunnen worden. Het is tegengesteld aan relativisme dat ervan uitgaat dat alle feiten slechts relatief zijn, afhankelijk van iemands perspectief. Het stelt dat er algemene normen, waarden, ethische systemen enz. bestaan die gelden voor alle mensen en alle culturen, ongeacht de context waarin ze zich bevinden. Het kan hierbij draaien om menselijke behoeften, rechten of biologische en psychologische processen, en de normen zijn gebaseerd op het idee dat alle mensen in wezen gelijkwaardig zijn. Universalisme werd bekritiseerd door postmoderne en postkoloniale denkers, die gebrek aan bewijs vinden voor ideeën of waarden die werkelijk universeel gelden. Socioloog en economisch historicus Immanuel Wallerstein beschouwt in zijn boek European Universalism: The Rhetoric of Power (2006) universalisme als een opvolger van kolonialisme, namelijk als een middel om namens de ontwikkelingslanden te spreken en zich te mengen in de zaken van andere landen. Wallerstein brengt in kaart hoe de westerse wereld sinds de Verlichting herhaaldelijk heeft geprobeerd om universalia te creëren, gaande van het modernisme als een poging om een universele taal (of toestand) uit te vinden, tot het idee van de mensenrechten. Universalisme kan volgens hem worden gezien als de verschuiving van het westerse stereotiepe perspectief op het Oosten (door Edward Said beschreven als oriëntalisme) naar een westers gevoel van iets dat wordt gedeeld, maar waar de niet-westerse persoon misschien niet altijd aan beantwoordt. Aangezien het Westen het universalisme de status van natuurwet heeft toegeschreven, heeft het ook het recht op interventie in landen die zogenaamd niet conform die wet leven, hetzij via ontwikkelingshulp, hetzij via culturele interventie of zelfs oorlog.