Wat bedoelen we met monocultuur? Wat motiveert identitaire of nationalistische monocultuurbewegingen die hun samenleving niet pluralistisch kunnen of willen beschouwen, niet alleen in de context van Europa maar ook wereldwijd? Kunnen we positieve of zelfs emancipatorische ambities van de monocultuur situeren? Kan een cultureel homogene maatschappij ook inclusief en transformeerbaar zijn? Wat bevindt er zich in de marge van de monocultuur, en wat wordt er niet getolereerd? Wat kan de positie van kunst zijn binnen de context van de monoculturele ideologie? Of hoe zou kunst er onder de monoculturele ideologie uit kunnen zien wanneer ze tot haar logische eindpunt wordt gevoerd? 

MONOCULTURE – ARTEFACTS

 wim4503 (c) Wim Van Eesbeek

MONOCULTURE – APARTHEID

Vvg0 38 scan: (c) M HKA

Zuid-Afrika kende al vormen van rassensegregatie tijdens de Britse koloniale overheersing. Met ‘apartheid’ wordt in eerste instantie verwezen naar het overheidsbeleid van segregatie en witte suprematie dat het land tijdens de tweede helft vande 20ste eeuw teisterde. In veel talen is ‘apartheid’ als leenwoord synoniem geworden voor alle vormen van rassenscheiding. Alle Zuid-Afrikanen werden na de verkiezingen van 1948 in drie categorieën opgedeeld: ‘blank’, ‘kleurling’, en ‘Bantu’ (alle zwarte Afrikanen). Het doel van het systeem was de witte minderheid te laten heersen over de andere groepen. Het belangrijkste instrument om apartheid te verwezenlijken was de ‘group area act’, waarmee mensen volgens ‘ras’ in verschillende woonwijken werden ingedeeld en waardoor onder andere wettelijk vastgelegde aparte scholen, universiteiten, ziekenhuizen, bussen en stranden werden ingevoerd. Na decennia van geweld en bloedige onderdrukking zwichtte het apartheidsbewind in de jaren 1990 onder internationale druk. Met de eerste vrije verkiezingen voor iedereen kwam het systeem in 1994 officieel ten val en kwam Nelson Mandela, het boegbeeld van de zwarte bevrijdingsbeweging Afrikaans Nationaal Congres (ANC) aan de macht.


MONOCULTURE – BANDUNG

Bandung

Op 18 en 24 april 1955 kwamen leiders uit negenentwintig Aziatische en Afrikaanse landen, waarvan de meeste pas onafhankelijk waren, samen in de Indonesische stad Bandung voor de eerste grootschalige Aziatisch-Afrikaanse conferentie, ook bekendals de Conferentie van Bandung. De belangrijkste organisatoren van de bijeenkomst waren Indonesië, India, Pakistan, Birma en Ceylon. De deelnemers aan de conferentie wilden de Afro-Aziatische solidariteit tegen elke vorm van kolonialisme en neokolonialisme promoten en de economische en culturele samenwerking in de regio's bevorderen. Het boek van de afro-Amerikaanse schrijver Richard Wright (1908-1960) is een verslag uit de eerste hand van de conferentie.

Tekst op de achterkant van de persfoto luidt: "Bandung, Indonesië. Wie iemand als eerste van de bok zal laten dromen, is een van de vragen die in de lucht hangen als afgevaardigden verzamelen voor de Afro-Aziatische conferentie in Bandung, Indonesië. Het probleem lijkt niets te maken te hebben met deze bok die nonchalant aan een bloemenperkje knabbelt voor het met vlaggen getooide conferentiegebouw, waar de communistische en prowesterse afgevaardigden op 18 april in gesprek gaan.”


MONOCULTURE – BESKIN & KEMENOV

Voks

Het American Russian Institute for Cultural Relations werd opgericht in 1926. In 1947 werd het door de Amerikaanse regering opgenomen in de lijst van 'subversieve organisaties'. De belangrijkste auteur van de brochure, Osip Beskin, was een Sovjet-kunstcriticus en een tegenstander van 'formalistische' experimenten in de kunst. Hij beschrijft het kunstsysteem in de USSR en verwijst naar het centrale idee van de Sovjetkunst: “Kunst behoort het volk toe. (...) Ze moet door de werkende massa's begrepen en bemind worden. Ze moet hen verenigen in hun gevoelens, gedachten en aspiraties en hen verheffen. Ze moet de kunstenaar in hen opwekken en ontwikkelen. (Lenin).” Wat doorslaggevend is bij het bepalen van de kwaliteit van kunst is dus haar integratie in de samenleving.

VOKS Bulletin was een Engelstalig cultureel tijdschrift dat in Moskou werd uitgegeven door de USSR Society for Cultural Relations with Foreign Countries, een internationale organisatie met parallelle nationale afdelingen over de hele wereld. Dit nummer bevat een artikel van de hoofdredacteur van het tijdschrift, Sovjetkunstcriticus en prominent partijlid Vladimir Kemenev. Het artikel getiteld 'Aspects of Two Cultures' is in de eerste plaats een typisch voorbeeld van kunstkritiek in de USSR. Hij onderstreept de nauwe banden tussen anti-humanisme en antirealisme en plaatst de kunst van het socialistisch realisme tegenover de decadente westerse kunst.


MONOCULTURE – BRUNSWIK

2020 monoculture photo m hka cc 23 image: (c) M HKA

In 1950 publiceerden een filosoof/socioloog en drie psychologen van de Universiteit van Californië in Berkeley – Theodore W. Adorno, Else Frenkel-Brunswik, Daniel J. Levinson en R. Nevitt Sanford – The Authoritarian Personality. Ze zochten een antwoord op de vraag hoe de destructieve ideologieën, verantwoordelijk voor de wreedheden van WOII, erin waren geslaagd zo’n enorme massa volgelingen aan te trekken. In haar artikel ‘Personality Theory and Perception’ werkt Else Frenkel-Brunswik het concept ‘ambiguity intolerance’ verder uit. Met deze complexe en veelzijdige theorie onderzoekt ze de samenhang tussen het kunnen omgaan met een dubbelzinnige beeldtaal en de tolerantie voor ambiguïteit in de wereld, de ander en jezelf. In ‘Environmental Controls and the Impoverishment of Thought’ gaat Frenkel-Brunswik dieper in op de anti-intellectuele tendensenen en de houding tegenover wetenschap binnen Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie.


MONOCULTURE – CONGRESS FOR CULTURAL FREEDOM

Ccf

Het Congress for Cultural Freedom (CCF) was een organisatie die in 1950 werd opgericht tijdens een conferentie die een aantal anticommunistische intellectuelen in West-Berlijn bijeenbracht. Het CCF was opgezet als reactie op de creatie van de Wereldvredesraad door de Sovjet-Unie en was bedoeld om weerstand te bieden tegen naoorlogse pro-Sovjet-sympathieën. Het congres, heimelijk gefinancierd door de Amerikaanse CIA, werd gecreëerd om het wereldwijde communisme te bestrijden, het neutralisme dat zich tijdens de Koude Oorlog voordeed (namelijk landen die geen kamp kozen) te counteren, en de westerse culturele en liberale waarden te promoten. De organisatie was actief in vijfendertig landen, organiseerde culturele evenementen en conferenties, en publiceerde boeken en tal van tijdschriften. De campagne was er ook op gericht de perceptie van de VS in Europa positief te beïnvloeden, via de promotie van Amerikaanse modernistische kunst. De geheime onderneming stopte in 1967, nadat de actieve betrokkenheid van de CIA aan het licht kwam.


MONOCULTURE – DAS WUNDER DES LEBENS

2020 monoculture photo m hka cc 9 image: (c) M HKA

Das Wunder des Lebens, een propagandatentoonstelling die in 1935 in Berlijn plaatsvond. Het centrale idee van de expo was zuiver eugenetisch: de bescherming van het fysieke lichaam tegen ziekten en het zuiver houdenvan het zogenaamde 'lichaam' van het Duitse volk met behulp van 'raciale hygiëne'. De omvangrijke expo werd georganiseerd door Bruno Gebhard. Het nauwgezette avant-gardistische ontwerp van de tentoonstellingscatalogus was van de hand van de beroemde ontwerper Herbert Bayer (1900-1985). Zowel Bayer als Gebhard waren betrokken bij de organisatie van de belangrijkste en meest populaire nazi-propaganda-tentoonstellingen. Toch waren ze zelf geen lid van de nazipartij; een paar jaar later vluchten ze naar de VS. De zeldzame postkaart toont Der gläserne Mensch (De glazen mens), het symbool van de specifieke Duitse kijk op mens en de gezondheid. Hij vormde ook het pronkstuk van de reizende versie van Das Wunder des Lebens, die in 1936 Antwerpen aandeed.


MONOCULTURE – ESPERANTO

Esperanto

Esperanto is de meest gebruikte artificiële taal ter wereld. De taal werd in 1887 gecreëerd door Ludwik Zamenhof (1859-1917) toen hij een boekje publiceerde in het Russisch, getiteld Международный язык/ Lingvo Internacia (de internationale taal), waar gewoonlijk naar wordt verwezen als Unua Libro. Zamenhof wees het principe van auteurschap af en ondertekende het boek bescheiden als Dr. Esperanto, 'iemand die hoopt'. Zamenhof, een oogarts van Joods-Poolse afkomst, hoopte een taal te creëren die een vreedzaam samenleven tussen mensen van verschillende culturen zou bevorderen. De taal werd populair, met tal van esperantistische groepen die over de hele wereld opdoken. Ondanks de repressie door autoritaire regimes in de twintigste eeuw is de Esperantogemeenschap zich tot op de dag van vandaag blijven ontwikkelen. Het Jarlibro (jaarboek) is de oudste doorlopende publicatie van de Universal Esperanto Association. La Nova Epoko (De nieuwe epoche) was een internationaal 'literair-sociaal' tijdschrift met een doorgaans linkse oriëntatie, dat in 1922 werd opgericht door vier Sovjet-esperantisten. Ludwik Zamenhof, de uitvinder van het Esperanto, was de eerste die de volledige Hebreeuwse Bijbel (de Tenach of het Oude Testament) in het Esperanto vertaalde. Het Nieuwe Testament werd later vertaald door een team van Esperanto-sprekende Britse geestelijken en geleerden van de British and Foreign Bible Society. De vertaling werd voltooid in 1912. De vertalingen van zowel Oud als Nieuw Testamant werden vervolgens op elkaar afgestemd en in 1926 gedrukt als één enkel boek: La Sankta Biblio (de Heilige Bijbel), vaak ook La Londona Biblio (de Londense Bijbel) genoemd.


MONOCULTURE – EUGENETICA (Verenigd Koninkrijk)

2020 monoculture photo m hka cc 10 image: (c) M HKA

Sir Francis Galton introduceerde de term eugenetica en legde de basis voor een beweging die zich de volgende decennia verder zou ontwikkelen. Hij was geïnspireerd door de theorie van evolutie via natuurlijke selectie, geïntroduceerd door zijn halfneef Charles Darwin, en wijdde zijn studies aan de verbetering van het menselijk ras. Galton was ervan overtuigd dat dankzij eugenetica-onderzoek natuurlijke selectie vervangen kon worden door efficiëntere processen. Het boek van G.K. Chesterton is een belangrijk maar zeldzaam voorbeeld van de anti-eugenetische essays die in die tijd in Groot-Brittannië circuleerden. Hij voorspelde dat de eugenetica misbruikt zou worden en geloofde dat ze ingezet zou worden als middel om de armen te onderdrukken. Hoewel Chesterton vanwege zijn ideeën van irrationaliteit werd beschuldigd, had het boek toch een aanzienlijke invloed op het Britse parlement. Ondanks het feit dat de eugenetische beweging in Groot-Brittannië ontstond, werd de eugenetica-wetgeving zoals die in de Verenigde Staten, en later in Duitsland, werd geïntroduceerd, nooit doorgevoerd in Groot-Brittannië.


MONOCULTURE – EUGENETICA (Verenigde Staten)

Eugenetica

Madison Grant was een Amerikaanse schrijver en zoöloog die vooral bekendheid genoot met zijn werk als eugeneticus. De ondertitel van het boek verwijst naar de sleuteltheorie die door Grant wordt gepromoot: de superioriteit van het noordse ras en zijn verantwoordelijkhei d in de menselijke ontwikkeling. Theodore Lothrop Stoddard was een Amerikaanse historicus, een lid van de Ku Klux Klan, en de auteur van verschillende boeken die eugenetica en wetenschappelijk racisme bepleitten. Stoddards strategie om lezers angst in te boezemen voor het spook van een rassenoorlog door de vijanden van het 'witte ras' te presenteren als sterk genoeg om een existentiële bedreiging te vormen, maar toch zwak genoeg om te kunnen verslaan, wordt – zo'n honderd jaar later – nog steeds toegepast door blanke racisten. Het boek van James Woodsworth diende als blauwdruk voor de Canadese 'Immigration Act' die kort na de publicatie ervan werd goedgekeurd. In het boek geeft Woodsworth een hiërarchie van rassen en etniciteiten op basis van hun vermogen om zich aan te passen aan de Canadese samenleving. Degenen die tot de 'verboden klassen' behoorden, werden gedeporteerd en hen werd de toegang tot Canada geweigerd.


MONOCULTURE – EXPOSITION INTERNATIONALE COLONIALE, MARITIME ET D'ART FLAMAND, ANTWERPEN, 1930

20201013 152253

Na 1885 en 1894 organiseerde Antwerpen in 1930 voor de derde en voorlopig laatste keer een wereldtentoonstelling. Voor de stad was de Exposition internationale coloniale, maritime et d'art flamand van groot belang. Naast de citymarketing moesten de stadsuitbreiding – er werd een heel nieuw stadgedeelte gecreëerd tussen Berchem en de Schelde dat nu de Tentoonstellingswijk heet – en de grote infrastructuurwerken – met onder andere de bouw van de Waaslandtunnel – van Antwerpen een metropool maken voor de toekomst. De stad bouwde zelf twee bruggen over de Kielsevest en twee tentoonstellingsgebouwen, die nadien werden omgebouwd tot enerzijds de Christus-Koningkerk en anderzijds de school van de Pestalozzistraat, In deze gebouwen vond waarschijnlijk de grootse overzichtstentoonstelling van oude Vlaamse kunst ooit plaats. In tegenstelling tot in 1885 en 1894 was op de tentoonstelling van 1930 geen Congolees dorp te zien. Toch konden bezoekers er een commercieel uitgebaat ‘negerdorp’ als attractie bezichtigen. De koloniale overheid wilde de focus leggen op de Belgische verwezenlijkingen in mijn- en landbouw in Congo; op een uitgebreide verzameling sculpturen, maskers en gebruiksvoorwerpen; en op de katholieke missies. Het monumentale ‘Kongopaleis’ dat hiervoor werd opgericht kreeg een oriëntalistisch, ‘Oosters’ karakter, omdat de ontwerpers meenden dat zwart Afrika geen eigen architectuur kende.


MONOCULTURE – FROBENIUS

2020 monoculture photo m hka cc 7 image: (c) M HKA

Leo Frobenius was een Duitse etnoloog, archeoloog en voorstander van een cultuurhistorische benadering van etnologie. Hij wordt ook beschouwd als een van de figuren die een grote invloed uitoefenden op de 'Négritude'-beweging. In de inleiding tot de bloemlezing die werd gepubliceerd ter gelegenheid van Frobenius' honderdste verjaardag, schrijft Léopold Senghor dat Frobenius niet alleen 'Afrika aan de wereld openbaarde' – maar ook 'de Afrikanen aan zichzelf'. In zijn Kulturgeschichte Afrikas wijst de etnoloog er niet alleen op dat de 'barbaarse neger een Europese uitvinding was', maar gaat hij ook in op concepten als emotie, intuïtie, kunst, mythe en ‘Eurafrica’, die cruciaal zouden worden voor Senghors begrip van zwarte subjectiviteit. Paideuma. Contouren van een cultuur-en gemoedsleer wordt beschouwd als Frobenius' belangrijkste bijdrage aan de etnografie. Een ‘paideuma’ kan worden omschreven als een uniek vermogen, of de manifestatie van een levenshouding, gevormd door een specifieke omgeving en opvoeding. Daarom wordt de mens begrepen als een product van de cultuur, en niet omgekeerd.


MONOCULTURE – FUKUYAMA & HUNTINGTON

Fuku

Met The End of History and the Last Man kondigt Francis Fukuyama vlak na de val van de Berlijnse muur de overwinning af van de westerse democratie op het communisme en alle andere ideologieën. Het triomfalistische beeld van Fukuyama wordt sinds de jaren ’90 vaak overgenomen door politici van middenpartijen in westerse landen. Fukuyama blikt terug op de geschiedenis van de afgelopen eeuwen en leest daarin een voortdurende botsing van ideologieën, aangedreven door de logica van de moderne wetenschap enerzijds en de strijd om erkenning van mensen anderzijds. De menselijke geschiedenis is volgens Fukuyama universeel, progressief en ze gaat in één richting. Hij ziet een evolutie, die startte onder de impuls van de Europese Verlichting, naar een mondiale monocultuur van liberaal kapitalisme. The Clash of Civilizations and the Remaking of World Order van Samuel Huntington stelt dat het einde van de ideologische bipolariteit van de Koude Oorlog zal leiden tot onvermijdelijke instabiliteit, maar langs een culturele as. Huntington beschrijft beschavingen als de hoogste graad van culturele identiteit. Volgens hem stellen de bevolkingsexplosie in moslimlanden en de economische opkomst van China de westerse dominantie op de proef. In de plaats van het valse universalisme van de westerse cultuur, stelt hij een strategie voor die – hoewel ze het idee van universalisme loslaat – een herbevestiging zou zijn van de westerse identiteit, om “haar te vernieuwen en te beschermen tegen uitdagingen van niet-westerse samenlevingen.” Het boek is een voorbeeld van extreem cultureel determinisme, dat elke onderlinge afhankelijkheid van culturen buiten beschouwing laat. Het werd door verschillende academici bekritiseerd en wordt vaak beschouwd als een theoretische legitimering van het agressieve buitenlandse beleid van de V.S.


MONOCULTURE – GENDER

Gender

De Amerikaanse filosofe Judith Butler schreef haar eerste boek Gender Trouble in 1990 vanuit een kritische betrokkenheid bij het feminisme en als erkenning van de strijd van mensen die buiten de heersende gendernormen vallen. Butler introduceert het begrip ‘performativiteit’ uit de taalkunde, om te verklaren hoe onze blik op de wereld wordt gestuurd door de manier waarop we erover spreken. Dit past ze toe op de constructie van gender, dat tot stand komt door herhaald te spreken en handelen als vrouw of man. Bij het ‘performen’ van een gender geven we steeds opnieuw vorm aan de overgeleverde normen van dat gender. Butler ziet de mogelijkheid om door te werken met taal, te kunnen afwijken van de gangbare normen en zo langzaamaan betekenissen te laten verschuiven en sociale verandering te realiseren. Camille Paglia is een Amerikaanse cultuurcriticus die bekend staat om haar polemische ideeën over feminisme en seksualiteit. Ze is een controversiële figuur –  vaak omschreven als 'antifeministisch-feministe' – die zichzelf identificeert als transgender maar die hedendaagse genderstudies verwerpt. Haar beroemdste en omvangrijkste publicatie, Sexual Personae, probeert 'de eenheid en continuïteit van de westerse cultuur' te demonstreren aan de hand van de studie van de 'seksuele personae' van Nefertiti tot Emily Dickinson. Sommige critici betogen dat Paglias'  vergelijkingen tussen selecte voorbeelden uit de kunst en de literatuur uit hoge en lage cultuur, en haar (controversieel) enthousiasme voor pornografie en mannelijke pedofilie slechts gimmicks zijn. Volgens hen maskeren ze haar verheerlijking van de mannelijke dominantie en van het onbetwistbare conservatieve traject dat de westerse cultuur heeft afgelegd.


MONOCULTURE – LE GUIN

Leguin

De Amerikaanse schrijfster Ursula Le Guin (1929–2018) is vooral bekend voor haar sciencefiction boeken, waarin ze vanaf het einde van jaren 1960 de conventies van het genre in vraag stelt door personages en samenlevingen op te voeren die ons begrip van gender, ras en politieke organisatie uitdagen. The Left Hand of Darkness uit 1969 is het startpunt van een denkproces dat door het oeuvre van Le Guin loopt: het herdenken en herdefiniëren van gender en sekse. Hoewel het boek werd omschreven als feministische sciencefiction en vaak werd besproken in opleidingen gender studies, kreeg het ook kritiek voor onder andere het gebruik van het voornaamwoord ‘hij’ om naar de androgyne personages te verwijzen. Als reactie op deze kritiek schreef Le Guin in 1976 het essay ‘Is Gender Necessary?’, waarin ze zowel reflecteert op haar experiment met gender in het boek, als haar eigen, veranderend denken hierover onderzoekt. The Lathe of Heaven, waarvan de titel een citaat is van Chinees dichter en taoïstisch filosoof Zhuang Zi uit de 4de eeuw v.C., gaat over een personage waarvan de dromen het verleden en het heden veranderen. Deze antiutopie is Le Guins kritiek op behaviorisme, utilitarisme en eugenetica. Het boek The Dispossessed, An Ambiguous Utopia is naast een ontsnappen aan bittere, onmenselijke democratieën en fascistische regimes tegelijk een onderzoek naar de dilemma’s van een anarchistisch-socialistische utopie. In The Word for World is Forest koppelt Le Guin een antikoloniale en antimilitaristische boodschap aan de milieuproblematieken de vraag naar de relatie tussen taal en cultuur.


MONOCULTURE – MAÏSCAMPAGNE

2020 monoculture photo m hka cc image: (c) M HKA

De Maïscampagne betrof de massale introductie van maïs in de Sovjet-landbouw van de jaren 1950 en 1960, in een poging het veevoedingstekort op te lossen. Het was Sovjetleider Nikita Chroesjtsjov zélf die met het idee kwam aanzetten het buitenlandse gewas te verbouwen. In 1955 had hij tijdens een reis naar de Verenigde Staten een boer ontmoet, Roswell Garst, die hem had verteld over de rol – en de voordelen – van maïs in de Amerikaanse landbouw. Kort daarop liet Chroesjtsjov Amerikaanse maïs invoeren. Het ministerie van Landbouw richtte een onderzoeksinstituut voor maïs op in de Oekraïne, publiceerde een nieuw wetenschappelijk tijdschrift over het gewas, en lanceerde een van de grootste propagandacampagnes in de geschiedenis van de USSR. Eindeloze slogans in kranten prezen 'de koningin van de velden' en via gedichten, liedjes, posters, souvenirs en zelfs een animatiespeelfilm, Чудесница (Chudesnitsa), De Wondervrouw, greep de regering alle kansen om het gewas populair te maken. Maar bij de massale verspreiding van maïs werd geen rekening gehouden met het lokale klimaat, noch met bestaande landbouwtradities. Begin jaren 1960 werd een kwart van de landbouwgrond ingenomen door maïs, wat in de herfst van 1962 leidde tot een tekort aan tarwe. Het onvermijdelijke falen van de maïs-monocultuur leidde tot een landbouwcrisis, wat op zijn beurt leidde tot het einde van Chroesjtsjovs politieke carrière.


MONOCULTURE – MENSELIJKE DIERENTUINEN

20201013 152310

Etnologische tentoonstelling, die ook wel menselijke dierentuinen worden genoemd, werden aangewakkerd door twee opkomende wetenschappelijke disciplines: de antropologie en de etnologie. Ze ontstonden aan het einde van de 19de eeuw en functioneerden als de belangrijkste evenementen voor propaganda van imperialisme. Ze werden in Europa geïntroduceerd door Carl Hagenbeck, een Duitse handelaar in wilde dieren, en waren een spektakel van 'exotische' inheemse volkeren uit de verste uithoeken van Afrika, het noordpoolgebied, India, Ceylon en Zuidoost-Azië, meestal getoond in een gereconstrueerd inheems dorp. De tentoonstellingen van Hagenbeck in het Tierpark in Hamburg-Stellingen werden een referentiepunt voor de daaropvolgende menselijke dierentuinen in het kader van koloniale tentoonstellingen. De misschien wel meest bezochte en opmerkelijkste etnologische tentoonstellingen waren die van Parijs in de tropische tuinen van het Bois de Vincennes en d'Acclimatation, langs het Bois de Boulogne. Menselijke dierentuinen maakten ook deel uit van de koloniale secties van de Belgische wereldtentoonstellingen van het einde van de 19de tot het midden van de 20ste eeuw. Een van de meest opmerkelijke evenementen was de tentoonstelling in Tervuren, in 1897, die producten en mens en uit de Onafhankelijke Congostaat exposeerde – tot 1908 persoonlijk bezit van koning Leopold II. Een rijkelijk geïllustreerde gids in art-nouveaustijl gaf een kijkje in de grootsheid van de tentoonstelling, die plaatsvond in het nieuw gebouwde Koloniënpaleis en zijn tuinen, waarin scènes uit het dagelijkse Afrikaanse leven duizenden bezoekers trokken. De expo was niet alleen belangrijke propaganda voor het economische potentieel van de Belgische aanwezigheid in Congo, maar benadrukte ook het 'beschavende' werk van Belgische missies. Koloniale tentoonstellingen droegen het meeste bij aan de totstandkoming van het beeld van de inferieure wilde Ander en aan de legitimering van het kolonialisme.


MONOCULTURE – MIGRATIE

Migratie

Bij het publiceren van A Seventh Man: Migrant Workers in Europe van John Berger en Jean Mohr in 1975 heeft in Groot-Britannië en Duitsland één handarbeider op zeven een migratie achtergrond. Berger en Mohr onderzoeken de materiële omstandigheden en innerlijke ervaring van de arbeidsmigrant en onthullen hoe die niet leeft in de marges van de moderne maatschappij, maar er net middenin staat. De roman Le Camp des Saints beschrijft de emigratie van een miljoen mensen op vrachtschepen van India naar Frankrijk, waar ze hopen op een beter leven. Door de blindheid van de overheid en de bevolking leidt deze op zich vreedzame invasie tot het einde van de Europese beschaving. Le Camp des Saints gaat over de angst voor het verlies van de ‘raciale en culturele zuiverheid’ van ‘het Westen’. Het gevaar kom volgens Raspail vooral van binnenuit omdat kunstenaars, intellectuelen en de media de bevolking een tolerante houding tegenover migratie opdringen. Hoewel de publicatie van het boek in 1973 geen overweldigend succes was, zorgden de polemiek errond, het veranderende politieke klimaat en de actualiteit ervoor dat Le Camp des Saints uitgroeide tot een cultboek in nationalistische, identitaire en suprematistische kringen in Europa en de V.S. In Eurabia: The Euro‐Arab Axis introduceert Bat Ye’or het concept ‘Eurabië’, waarmee ze verwijst naar een Europa dat wordt geïslamiseerd en uiteindelijk volledig zal opgaan in de Arabische wereld. Bat Ye'or laat haar complottheorie beginnen bij een aantal overeenkomsten tussen leiders van Europese- en Arabische landen in de jaren 1970 en de oprichting van de Euro-Arabische Dialoog. Daar zou zijn afgesproken om de toevoer van olie naar Europa te verzekeren in ruil voor het toestaan van migratie om Europa te islamiseren. Het begrip Eurabië wordt in Europa vooral opgepikt door politici van uiterst rechtse partijen en worden ingezet in hun islamofoob antimigratie discours.


MONOCULTURE – MODERNISTISCHE ARCHITECTUUR

2020 monoculture photo m hka cc 27 image: (c) M HKA

Met de oprichting van het Congrès Internationaux d'Architecture Moderne (CIAM) in 1928 werd het modernisme in de architectuur een internationale beweging. De doelstellingen van de organisatie gingen verder dan vragen rond stijl, formalisme of architecturale principes: men benaderde moderne architectuur en stedenbouw als een sociopolitiek instrument dat voor hervorming kon zorgen, een oplossing kon zijn voor sociale problemen. La Charte D'Athène (Handvest van Athene) van Le Corbusier wordt beschouwd als het manifest van het CIAM en telt 95 punten over de planning en constructie van steden. In de jaren 1950 kunnen we twee belangrijke benaderingen van moderne architectuur  onderscheiden. De eerste kan worden omschreven als regionalistisch. Ze richt zich op het klimaat en de geografie van een regio maar besteedt weinig aandacht aan culturele analyse of bestaande volkstradities. Een goed voorbeeld zijn de verschillende 'Afrikaanse experimenten', namelijk regionalistisch-modernistische projecten van Maxwell Fry (1899-1987) en Jane Drew (1911-1996). In de jaren 1950 vervoegden de twee architecten Le Corbusier voor een samenwerking rond de creatie van Chandigarh, de nieuwe hoofdstad van de religieus verdeelde Indiase deelstaat Punjab. De modernistische architectuur van Chandigarh wordt algemeen beschouwd als een prominent experiment in stadsplanning en als een symbolisch statement: ze betekende een radicale breuk met de traditie en het koloniaal verleden van het nieuwe onafhankelijke India. Hoewel het Edict of Chandigarh, uitgevaardigd door Le Corbusier, aanvankelijk de puurheid van de modernistische architectuur moest beschermen “tegen de grillen van individuen,” werd het  'universeel functionalisme' van de modernistische woonarchitectuur ook in twijfel getrokken door allerlei vormen van ad-hoc-stedenbouw, geïnspireerd door lokale stadstradities.


MONOCULTURE – MORRIS

2020 monoculture photo m hka cc 37 image: (c) M HKA

In oktober 1967 publiceerde de Britse zoöloog en gedragswetenschapper Desmond Morris (1928) zijn beruchte studie van menselijk gedrag, The Naked Ape: A Zoologist's Study of the Human Animal. Hierin benadert hij de mens als één van de 193 apensoorten. Volgens Morris kan het menselijk gedrag en de evolutie ervan het best begrepen worden als dierlijk gedrag. De mens heeft wel enkele specifieke eigenaardigheden. Hij heeft niet alleen het grootse brein en de grootste penis, maar is ook de enige apensoort waarvan het lichaam niet bedekt is met haar. Deze evolutie naar ‘naakte aap’ hielp koppels om monogaam te leven, zodat mannetjes exemplaren met een gerust hart op jacht konden, terwijl de vrouwtjes thuis trouw op hen wachtten. In zijn theorie zijn louter de jagende mannen de drijvende kracht achter de evolutie van de menselijk intelligentie. Vanaf de publicatie van het boek kreeg Morris dan ook hevige kritiek van feministen en (vooral vrouwelijke) wetenschappers. In de opvolger The Human Zoo onderzoekt Morris stedelijke samenlevingen. Hij vergelijkt het leven in een stad met het leven in een dierentuin, beide voorzien de bewoners in alle levensbehoeften, maar onttrekken ze aan de natuurlijke leefomgeving. De isolatie, de verveling en het leven op een beperkte oppervlakte zorgen zowel in de zoo als in de moderne stad voor problemen met het ontwikkelen van gezonde sociale relaties wat kan leiden tot allerlei vormen van geweld.


MONOCULTURE – NAZITENTOONSTELLINGEN

 wim4998 image: (c) Wim Van Eesbeek

In zijn boek – dat een belangrijke inspiratiebron was voor Joseph Goebbels, minister van Volksvoorlichting en Propaganda in nazi-Duitsland – geeft Wolfgang Willrich een overzicht van de moderne kunst in Duitsland, die hij negatief inschat. Hij fulmineert fel tegen prominente modernistische kunstenaars van wie het werk later geconfisqueerd en vernietigd werd. Het boek van Adolf Dresler is een typisch voorbeeld van de nazikritiek op modernistische kunst, waarbij expressionistische en abstracte werken tegenover ‘Duitse werken’, die beantwoorden aan de nazikunstpolitiek, worden geplaatst. De door de auteur veroordeelde kunst komt uit de lijst met 'ontaarde kunstwerken' die op de gelijknamige expo werden gepresenteerd. De Grosse Deutsche Kunstausstellung vond van 1937 tot 1944 jaarlijks plaats in het Hausder Deutschen Kunst in München. De tentoonstelling werd gepropageerd als het belangrijkste culturele evenement in nazi-Duitsland en moest de belangrijkste vertegenwoordigers van de kunst onder het nationaalsocialisme representeren. Der Ewige Jude was ook de grootste vooroorlogse antisemitische tentoonstelling, opgezet om aan te tonen dat er een (vermeende) joodse poging bestond om het bolsjewisme in nazi-Duitsland te doen zegevieren.


MONOCULTURE – NIETZSCHE

2020 monoculture photo m hka cc 17 image: (c) M HKA

Friedrich Nietzsche is een van de dubbelzinnigste en invloedrijkste figuren van het moderne denken. Men deed en doet vaak beroep op de filosoof, maar op erg verschillende en vaak ambivalente wijzen. Er is een vroege associatie tussen zijn denken en het nazisme, gepromoot door zijn zus Elisabeth Förster – Nietzsche, die postuum zijn niet – gepubliceerde werken redigeerde om ze te doen passen in haar nationalistisch ideeëngoed, en die Nietzsches eigen standpunt en tegen nationalisme en antisemitisme negeerde. Zijn vroege werk De geboorte van de tragedie is een studie van de oorsprong en ontwikkeling van de Griekse tragedie. Nietzsche deconstrueert de heersende idealistische perceptie van de Griekse cultuur als weerspiegeling van orde en optimisme. Daartegenover plaatst hij de Griekse dichotomie van wat hij de apollinische en dionysische elementen noemt. Het eerste wordt geassocieerd met individualisering, beheersing, harmonie en orde; het tweede, tegenovergestelde principe, werkt als een chaotische kracht en een extatische ontbinding van de individualiteit. Voorbij goed en kwaad is een felle kritiek op religie, ethiek, filosofie, wetenschap en politiek. Nietzsche brengt een 'genealogisch' verslag van de ontwikkeling van moderne morele systemen, en stelt vast dat er zich een fundamentele verschuiving heeft voorgedaan in de geschiedenis van de moraliteit, namelijk van het denken in termen van 'goed en slecht' naar denken in termen van 'goed en kwaad'.


MONOCULTURE – NON-ALIGNED MOVEMENT

20201013 151712

De Non-Aligned Movement (NAM) werd formeel opgericht in 1956, tijdens een bijeenkomst van vijf wereldleiders op de Joegoslavische Brijuni-eilanden, toen Josip Tito van Joegoslavië, Soekarno van Indonesië, Jawaharlal Nehru van India, Gamal Abdel Nasser van Egypte en Kwame Nkrumah van Ghana er de Verklaring van Brijuni tekenden. De eerste Conference of Heads of State or Government of Non-Aligned Countries (Conferentie van staatshoofden en regeringsleiders van niet-gebonden landen) werd in 1961 gehouden in de Joegoslavische hoofdstad Belgrado. De beweging vond inspiratie voor haar doelstellingen in ideeën die tijdens de Afro-Aziatische conferentie in Bandung (1955) werden geuit. De NAM, ontstaan in het bipolaire politieke klimaat van de Koude Oorlog, stond voor de 'derde weg' in internationale betrekkingen. Ze was gebaseerd op de principes van vreedzaam samenleven en wederzijdse steun en pleitte voor respect voor soevereiniteit en non-interferentie in binnenlandse aangelegenheden. De NAM, de Afro-Asian People's Solidarity Organization (AAPSO) en The Organization of Solidarity with the Peoples of Asia, Africa and Latin America (OSPAAAL) werkten allemaal samen, maar de leden van OSPAAAL namen een radicalere, minder verzoenende houding aan tegenover het westers imperialisme. De NAM wordt momenteel gevormd door 120 wereldstaten.


MONOCULTURE – NÉGRITUDE BOEKEN

2020 monoculture photo m hka cc 6 image: (c) M HKA

Négritude onstond tijdens het interbellum als emancipatoire literaire en culturele beweging ontwikkeld door Franstalige intellectuelen uit de Afrikaanse diaspora die een herwaardering van de Afrikaanse cultuur nastreefden. Léon-Gontran Damas was een Franse dichter en politicus en samen met Aimé Césaire en Léopold Senghor een van de oprichters van de négritude-beweging. Zijn bloemlezing bevat gedichten van Franstalige auteurs uit zes regio's: Sub-Sahara Afrika, de Antillen (Guadeloupe en Martinique), Guyana, Indochina, Madagaskar en Réunion. De anthologie van Léopold Senghor kreeg veel erkenning dankzij het inleidend essay, 'Orphée Noir', van Jean-Paul Sartre. Sartre beschrijft négritude als 'antiracistisch racisme'. Het artikel van Gabriel d'Arboussier, een Frans-Senegalese politicus, doet Négritude wegens haar 'particularisme' af als een reactionaire beweging. D'Arbousiers argumenten vormden de basis voor alle daaropvolgende kritiek op de beweging. Senghor maakte ook een reeks boeken met de titel Liberté (vrijheid). Zoals in de inleiding wordt vermeld, verwijst de titel naar de overkoepelende thematiek van de teksten: de “verovering van de vrijheid als (...) verdediging en illustratie van de collectieve persoonlijkheid van de zwarte volkeren: van négritude.


MONOCULTURE – NÉGRITUDE TENTOONSTELLING

2020 monoculture photo m hka cc 8 image: (c) M HKA

1er Festival Mondial des Arts Nègres vond plaats in Dakar (Senegal) van 1 tot 24 april 1966 op initiatief van Léopold Senghor en onder de auspiciën van de UNESCO. Bezoekers van over de hele wereld en inwoners van Dakar konden een uitgebreid evenementenprogramma bijwonen, waaronder tentoonstellingen met tribale en moderne kunst, conferenties en straatoptredens. Een colloquium dat twee dagen voor de opening plaatsvond en beschouwd werd als de intellectuele spil van het evenement bracht kunstenaars en intellectuelen samen om na te denken over de rol van kunst in de opkomende post-imperiale wereld en over de betekenis van négritude. De A-zijde van de lp bestaat uit teksten, muziek en slavenliederen, de B-zijde presenteert twee aspecten van zwarte muziek: korte instrumentale improvisaties geïnspireerd op traditionele Senegalese muziek en de 'Songs of New Nations' (zijnde Ghana, Nigeria, en Congo) – gebracht door een koor – aangevuld met 'inheemse drums' en percussie.


MONOCULTURE – OBJECTIVISME

2020 monoculture photo m hka cc 26 image: (c) M HKA

Ayn Rand, oorspronkelijk Alisa Rozenbaum (1905-1982), was een Russisch-Amerikaanse schrijfster. Ze werd niet alleen bekend voor haar romans, die ook vandaag nog wereldwijd succes oogsten, ook haar filosofische systeem, het objectivisme, is beroemd, en ook vandaag nog erg populair. Rands eigen biografie was voor een stuk bepalend voor haar ideeën. Het bedrijf van haar vader werd in 1917 door bolsjewieken in beslag genomen, wat voor de welvarende familie een dramatische omslag betekende. Begin 1926 verliet Rand het communistische Rusland en trok na ar de Verenigde Staten. Ze werd gedreven door het idee dat mensen nood hebben aan een rationele moraal, een morele code die komaf maakt met alle collectieve, religieuze, mystieke of op emotie gebaseerde morele concepten. Ze zag iemands eigen leven als diens waardestandaard, met de rede als enige leidraad voor het handelen, en als hoogste morele doel het bereiken van het eigen geluk. De grondbeginselen van haar filosofie – de realiteit als absoluut objectief ('an objective absolute'), het primaat van de rede, de ethiek van egoïsme en de morele verdediging van het laissez-faire-kapitalisme – werkte ze uit in haar lezingen, boeken en nieuwsbrieven.


MONOCULTURE – POPPER

2020 monoculture photo m hka cc 18 image: (c) M HKA

De open samenleving en haar vijanden van de Oostenrijks-Britse wetenschaps- en politiek filosoof Karl Popper is een frontale aanval op het historicisme – het idee dat de geschiedenis zich volgens vaste wetten in de richting van een eindpunt ontwikkelt – in het denken van Plato, Hegel en Marx. Wat Popper ziet als hun geloof in een statische maatschappij, waarvan de toekomst voorspelt kan worden, die door een centraal politiek systeem geleid moet worden, en waarin de staat belangrijker is dan het individu, maakt hen tot de verdedigers van de gesloten samenleving en geestelijke vaders van communisme, fascisme en andere ismen met een absolute waarheidsclaim. Hoewel de tekst pas in 1957 in boekvorm verscheen, is The Poverty of Historicism eigenlijk de oorspronkelijke aanval van Karl Popper op het historicisme. Al in 1944 en 1945 verscheen het driedelig essay met dezelfde titel in het internationaal tijdschrift Economica. Popper bekritiseert de ‘historicistische doctrine’ van de sociale wetenschappen, die stelt dat we een sociale groep enkel kunnen begrijpen door de interne principes die de ontwikkeling van de groep bepalen te kennen. Dit koppelt hij aan het holisme, het geloof dat het individu voornamelijk bepaald wordt door de groep waartoe het behoort. Popper stelt daar een individualisme tegenover dat sociale groepen beschouwt als de optelsom van hun leden, en sociale ontwikkelingen als het gevolg van acties van individuen, meestal ongepland en dus ook onvoorspelbaar.


MONOCULTURE – REAGAN

Reagan

Ronald Wilson Reagan was een Hollywood-acteur en een Amerikaanse politicus. Van 1981 tot 1989 was hij de 40ste president van de Verenigde Staten. Politiek gezien was hij toegewijd aan de idealen van het moderne conservatisme in haar neoliberale vorm; hij was in het bijzonder een groot voorstander van de kapitalistische economie. Het economische beleid dat door Reagan in de jaren tachtig werd gepromoot, ging de geschiedenis in als 'Reaganomics'. Rendezvous with Destiny is de belangrijkste passage uit de beroemde toespraak A Time for Choosing die Reagan tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 1964 als ondersteuning van de Republikeinse partijkandidaat Barry Goldwater hield. Door zijn toespraak werd hij bekend als een vooraanstaand conservatief woordvoerder. A Record from Ronald Reagan To All Californians is vergelijkbaar qua retoriek, maar veel korter en ideologisch light, en maakte deel uit van Reagans gouverneurscampagne tijdens de verkiezingen van 1966. Reagan bepleit de reductie van overheidsregelgeving en roept de Californiërs op om voor hem te stemmen, als zij “geloven in hun lot” en hun eigen beslissingen. Een ander bijzonder kenmerk van Reagans toespraken is de nadruk op zijn niet-politieke, onprofessionele achtergrond. In Freedom's Finest Hour vertolkt Reagan een kolonist uit Boston die het verhaal vertelt van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog ende ratificatie van de grondwet. Alles staat ten dienste van het aanwakkeren van een gevoel van trots voor Amerika en de grondwet. Young America's Foundation(YAF) is een conservatieve jongerenorganisatie die in 1960 werd opgericht. In zijn toespraak van 1975 tot de YAF spreekt Ronald Reagan zijn steun uit aan de organisatie en haar activiteiten. Algemeen wordt aangenomen dat het feit dat Reagan de YAF ondersteunde hem veel heeft geholpen toen hij zich later bij de presidentsverkiezingen kandidaat stelde.


MONOCULTURE – SEGREGATIE

Segregatie

Na de afschaffing van de slavernij door president Abraham Lincoln in 1863 kende de Verenigde Staten een eeuw van bij wet geregelde rassensegregatie. In de zuidelijke staten werd met de Jim Crow-wetten (genoemd naar een racistische karikatuur uit een populair lied) op lokaal- en deelstaatniveau een strikte scheiding tussen de witte en de zwarte bevolking nagestreefd: van aparte scholen, ziekenhuizen, en restaurants tot gescheiden treinen, openbare toiletten, parken en begraafplaatsen. Het Hooggerechtshof keurde deze segregatiewetten goed vanuit het concept ‘seperate but equal’ (gescheiden maar gelijk). Omdat de deelstaten zelf verantwoordelijk waren om ervoor te zorgen dat de infrastructuur voor iedereen gelijkwaardig was, werd dit idee uiteraard nooit waargemaakt. Op die manier werd in het zuiden van de Verenigde Staten een racistisch beleid gevoerd dat in de praktijk sterk leek op de latere apartheid in Zuid-Afrika. Onder druk van burgerrechtenactivisten zoals Rosa Parks en Martin Luther King en organisaties als de National Association for the Advancement of Colored People werd pas in 1964 met de Civil Rights Act alle segregatie bij wet verboden. Hoewel er vanaf dan sprake is van juridische gelijkwaardigheid, blijft discriminatie op veel vlakken tot vandaag een realiteit in de V.S.


MONOCULTURE – SOCIALISTISCH REALISME

Soc

Socialistisch realisme was een artistiek fenomeen en een ‘creatieve methodiek’ in de Sovjet-Unie. De methode werd in 1934 tijdens het eerste congres van de Bond van Sovjetschrijvers een doctrine en het enige toegestane artistieke procédé, en ze werd toegepast op alle kunstvormen. Het Socialistisch realisme wordt vaak gekarakteriseerd als een stijl maar past nauwelijks in die categorie vanwege het evidente gebrek aan een duidelijk gearticuleerde artistieke taal, of beter gezegd, van wege het consequente wissen van formele stilistische kenmerken. De relatie van het Sovjetrealisme tot eerdere realistische tradities in de kunst (en tot de werkelijkheid zelf) is ook ingewikkeld. Het moest een analyse presenteren van 'de realiteit in haar revolutionaire ontwikkeling' en 'een cultuur van de massa's creëren die nog moest worden geschapen'. Het was dus niet in de eerste plaats gericht op de Sovjetrealiteit van die tijd, maar op de mooie socialistische toekomst. Deze utopische ambitie en het geloof in het transformatieve potentieel van kunst, plus het sterk collectief karakter, maken van het socialistisch realisme een totaal en totalitair esthetisch-politiek project. Of, zoals theoreticus Boris Groys het stelt: het was Stalins ‘gesamtkunstwerk’. Het socialistische realisme, diepgeworteld in de communistische ideologie, was niet alleen het product van die ideologie, maar ook haar productiemiddel. Hierdoor is het een voorbeeld van een unieke propagandistische strategie.


MONOCULTURE – SOVJETPROPAGANDA

2020 monoculture photo m hka cc 5 image: (c) M HKA

Het persagentschap Novosti werd in 1961 opgericht. Het agentschap werkte als een indrukwekkende propagandamachine, met tal van vestigingen over de hele wereld en een totale jaarlijkse oplage van 20 miljoen drukwerken. De boekenreeks omvatte onderwerpen als de Sovjetbijdrage aan de economische ontwikkeling van derdewereldlanden, het Sovjetbeleid ter ondersteuning van nationale bevrijdingsbewegingen, en kritiek op 'hedendaags kolonialisme' en de imperialistische politiek van het Westen. First Time in Moscow vertelt het verhaal van een fictieve Afrikaanse jongen, Dudu, die een gratis reis naar Moskou heeft gewonnen. Met zijn betuttelende en geromantiseerde toon is het boek een treffend voorbeeld van het propagandamateriaal dat in de USSR werd geproduceerd tijdens de politiek van 'internationale vriendschap'. De Peoples' Friendship University werd opgericht in 1960 en de moord op Patrice Lumumba in 1961, werd ze hernoemd naar de Congolese onafhankelijkheidsleider. De universiteit werd geprezen voor haar educatieve prestaties en werd door haar voorstanders beschouwd als een toonbeeld van solidariteit en internationalisme, maar door haar tegenstanders aan de kaak gesteld als een communistische instelling. Ook het hele concept van een universiteit die speciaal werd opgericht om onderwijs te bieden aan studenten uit derdewereldlanden werd in vraag gesteld door de regeringen zélf van de landen waar ze zich op richtte.

Op de reclamepostkaart staat een scène uit de populaire melodramatische Sovjetfilm Tsirk (Circus) uit 1936. De film vertelt het verhaal van een Amerikaanse circusactrice die, na de geboorte van haar zwart kind, op de vlucht is voor racisme in de VS. Zij en haar zoon worden omarmd door de vriendelijke multi-etnische Sovjetmaatschappij en vinden er uiteindelijk hun geluk.


MONOCULTURE – TENTOONSTELLINGSGESCHIEDENISSEN

Tentoons

De eerste documenta vond van 15 juli tot 18 september 1955 plaats in Kassel. Hoewel het woord 'documenta' dicht aanleunt bij het Latijnse woord 'documentum' (les of lering), is het een verzonnen term die het idee van een 'documentatie' van moderne kunst moest oproepen. Bij de tweede editie was documenta een merk geworden dat de ambitie had om de internationale tentoonstelling van hedendaagse kunst vierjaarlijks (en later om de vijf jaar) te organiseren. Laszlo Glozer en Kasper König stelden een omvangrijke tentoonstelling samen van moderne kunst in de Kölnermessehallen in Keulen (30.05-16.08.1981). De opzettelijk provocerende titel Westkunst is een woordspeling op 'Weltkunst'. Men wilde ermee verwijzen naar de hegemonische westerse ideologie en naar de bestaande politieke en ideologische opdeling van Europa in West en Oost. In 1984 vond de tentoonstelling 'Primitivism' in 20th Century Art: Affinity of the Tribal and the Modern plaats in het MoMA, met museumdirecteur William Rubin als expo-'director', bijgestaan door Kirk Varnedoe, een professor kunstgeschiedenis. Tribale en modernistische kunstwerken werden naast elkaar geplaatst op basis van hun formele overeenkomsten. Die keuze werd erg bekritiseerd: het valoriseren van westerse kunst zou ten koste gaan van de zogenaamde 'primitieve' kunst. Magiciens de la Terre uit 1989 wordt vaak beschouwd als een directe reactie op MoMA's controversiële tentoonstelling 'Primitivism' in 20th Century Art. Hoewel de tentoonstelling door sommigen werd geprezen omdat ze probeerde af te wijken van eurocentrische perspectieven, werd ze door anderen verworpen vanwege de formalistische benadering en de-contextualisering en depolitisering van – met name niet-Westerse – kunstwerken. The Other Story, samengesteld voor de Londense Hayward Gallery door kunstenaar/ theoreticus Rasheed Araeen, was het eerste grote overzicht in het naoorlogse Groot-Brittannië van werk van kunstenaars van Aziatische, Afrikaanse en Caribische afkomst. De tentoonstelling, die plaatsvond tijdens het conservatieve bewind van Margret Thatcher, wordt beschouwd als een belangrijke poging om het 'meesterverhaal' van de moderne kunstgeschiedenis te 'de-imperialiseren'.


MONOCULTURE – THE DECADE SHOW

2020 monoculture photo m hka cc 28 image: (c) M HKA

De twee tentoonstellingen, die in New York plaatsvonden met een interval van drie jaar, worden vaak samen besproken omdat ze allebei sterk georiënteerd waren op een tendens die als 'identiteitspolitiek' wordt omschreven. The Decade Show uit 1990, maar vooral de Whitney Biënnale van 1993 – allebei georganiseerd tijdens de zogenaamde 'cultural wars' – worden beschouwd als de eerste grote kunsttentoonstellingen in de VS die zichtbaarheid gaven aan kunstenaars uit gemarginaliseerde groepen, terwijl ze het bredere publiek ook kwesties voorlegden als de aids-crisis, ras, klasse, geslacht, imperialisme en armoede. De The Decade Show contrasteerde kunstwerken uit bovengenoemde minderheidsgroepen met die van 'reguliere' (Angelsaksische/westerse) kunstenaars. Het was een representatiestrategie van het verheerlijken van verschillen – sindsdien een courante tentoonstellingspraktijk in de VS. De tentoonstellingen kregen een berg kritiek over zich heen. Sommige critici verweten de curatoren van de Whitney Biënnale een reductionistische benadering: de complexiteit van sommige kunstwerken zou terugbracht worden tot de representatie van een (essentialistisch begrepen) marginaliteit. De manier van exposeren werd door sommigen gezien als een radicaal politiek gebaar, anderen beschreven ze dan weer als overdreven didactisch. De organisatoren werden er ook van beschuldigd toe tegeven aan politieke correctheid en het opofferen van artistieke kwaliteit aan multiculturalisme en identiteitspolitiek. Hoewel controversieel, waren de twee expo's – en vooral de Whitney Biënnale van 1993 – van aanzienlijke invloed op de representatiepolitiek binnen de kunstwereld.


MONOCULTURE – THE OBJECTIVIST

Rand

In de jaren zestig begon Ayn Rand non-fictie te schrijven en werkte ze de ideeën uit die ze in haar romans had uiteengezet en samengevat onder het begrip 'objectivisme'. Van 1962 tot 1976 schreef ze opeenvolgend voor drie tijdschriften. Rand, een zeer productieve auteur, gaf commentaar op belangrijke culturele gebeurtenissen en schetste, vanuit haar objectivistisch perspectief, enkele negatieve trends. Ze beschouwde de filosofie als een onmisbare gids voor de wereld en behandelde allerlei onderwerpen. Er waren ook boekrecensies, een vraag-en-antwoordsectie, af en toe redactionele stukken over de verspreiding van het objectivisme, en een kalender met komende evenementen zoals lezingen en radio- en tv-programma's met Rand en haar medewerkers. Rand stelde ook een lijst op met boeken die volgens haar van bijzonder belang waren voor aanhangers van het objectivisme. De tijdschriften moesten haar lezers helpen 'relevante kennis op te doen'.