Wat bedoelen we met monocultuur? Wat motiveert identitaire of nationalistische monocultuurbewegingen die hun samenleving niet pluralistisch kunnen of willen beschouwen, niet alleen in de context van Europa maar ook wereldwijd? Kunnen we positieve of zelfs emancipatorische ambities van de monocultuur situeren? Kan een cultureel homogene maatschappij ook inclusief en transformeerbaar zijn? Wat bevindt er zich in de marge van de monocultuur, en wat wordt er niet getolereerd? Wat kan de positie van kunst zijn binnen de context van de monoculturele ideologie? Of hoe zou kunst er onder de monoculturele ideologie uit kunnen zien wanneer ze tot haar logische eindpunt wordt gevoerd? 

MONOCULTURE – BESKIN & KEMENOV

Image0505024 scan: (c) M HKA
V. Kemenov, "Aspects of Two Cultures", 1947
Tijdschrift

VOKS Bulletin was een Engelstalig cultureel tijdschrift dat in Moskou werd uitgegeven door de USSR Society for Cultural Relations with Foreign Countries, een internationale organisatie met parallelle nationale afdelingen over de hele wereld. Dit nummer bevat een artikel van de hoofdre dacteur van het tijdschrift, Sovjetkunstcriticus en prominent partijlid Vladimir Kemenev. Het artikel getiteld Aspects of Two Cultures is in de eerste plaats een typisch voorbeeld van kunstkritiek in de USSR. Kemenev opent met verschillende citaten uit – en verwijzingen naar – de geschriften van Karl Marx en stelt dat de vijandigheid en het antidemocratische karakter van het kapitalistische systeem zullen leiden tot de onvermijdelijke val van de moderne burgerlijke cultuur. Hij onderstreept de nauwe banden tussen anti-humanisme en antirealisme en plaatst de kunst van het socialistisch realisme tegenover de decadente westerse kunst. Om zijn ideeën kracht bij te zetten levert hij ook een analyse van het Europees modernisme, maar toch is het duidelijk dat Kemenevs belangrijkste kritiek gericht was op Amerikaanse kunstenaars – als de belangrijkste promotors van 'gedehumaniseerde' kunst. Het artikel trok de aandacht van Clement Greenberg, de beroemde voorstander van het abstract expressionisme, die het op zijn beurt scherp bekritiseerde in zijn tekst voor de Partisan Review ('Irrelevance versus Irresponsibility', Partisan Review (1948), vol. 15 nr. 5. p. 573-579). Deze polemiek tussen twee critici is een vroeg voorbeeld van controverses rond figuratieve en abstracte kunst. Dat zou het centrale onderwerp worden van de Koude Oorlog op cultureel vlak. Het begin van de Koude Oorlog leidde ook tot een transformatie in het beleid van de Partisan Review. Het tijdschrift, gekend als de belangrijkste uitgever van Greenbergs geschriften, ontving in de jaren 1950-60, samen met tal van andere culturele instellingen, financiering van de CIA.