Wat bedoelen we met monocultuur? Wat motiveert identitaire of nationalistische monocultuurbewegingen die hun samenleving niet pluralistisch kunnen of willen beschouwen, niet alleen in de context van Europa maar ook wereldwijd? Kunnen we positieve of zelfs emancipatorische ambities van de monocultuur situeren? Kan een cultureel homogene maatschappij ook inclusief en transformeerbaar zijn? Wat bevindt er zich in de marge van de monocultuur, en wat wordt er niet getolereerd? Wat kan de positie van kunst zijn binnen de context van de monoculturele ideologie? Of hoe zou kunst er onder de monoculturele ideologie uit kunnen zien wanneer ze tot haar logische eindpunt wordt gevoerd? 

MONOCULTURE – BESKIN & KEMENOV

Image050024 scan: (c) M HKA, Published by the American Russian Institute for Cultural Relations
Osip Beskin, "The Place of Art in the Soviet Union", 1936
Boek , 23.5 x 15.5 cm

Het American Russian Institute for Cultural Relations with the Soviet Union, voorheen bekend als de American Society for Cultural Relations with the Soviet Union, werd opgericht in 1926. In 1947 werd het door de Amerikaanse regering opgenomen in de lijst van 'subversieve organisaties'. Het voorwoord van deze brochure uit 1936 werd geschreven door Christian Brinton, Amerikaans kunstcriticus, curator en voorstander van 'nationale' modernismen. Brinton verwierp pure vorm- en mediumexperimenten in de kunst die braken met voorgaande tradities en waardeerde de Russische kunst vanwege het niet-westerse, 'ongerepte esthetische erfgoed'. In het voorwoord beschrijft hij Sovjetkunst als socialistisch humanisme. De belangrijkste auteur van de brochure, Osip Beskin, was een Sovjet-kunstcriticus en net als Brinton een tegenstander van 'formalistische' experimenten in de kunst. In tegenstelling tot Beskins geschriften in het Russisch, is dit propagandastuk eerder idealistisch dan strijdlustig van toon. Hij beschrijft het kunstsysteem in de USSR en verwijst naar het centrale idee van de Sovjetkunst:

“Kunst behoort het volk toe. (...) Ze moet door [de werkende massa's] begrepen en bemind worden. Ze moet hen verenigen in hun gevoelens, gedachten en aspiraties en hen verheffen. Ze moet de kunstenaar in hen opwekken en ontwikkelen (Lenin).”

Wat doorslaggevend is bij het bepalen van de kwaliteit van kunst is dus haar integratie in de samenleving. Wanneer hij de creatieve vrijheid bespreekt, stelt Beskin dat kunstenaars altijd “subjectief vrij en objectief niet vrij” zijn. En aangezien de objectieve niet-vrijheid van de kunstenaar gerelateerd is aan de klassenkwestie, is het uiteindelijke doel (waar kunstenaars actief aan moeten meewerken) de creatie van een klasseloze samenleving en “een nieuw type mens die vrij zal zijn van economische druk en van het onderscheid tussen mentale en fysieke arbeid – de geïntegreerde mens van de toekomst.”