Wat bedoelen we met monocultuur? Wat motiveert identitaire of nationalistische monocultuurbewegingen die hun samenleving niet pluralistisch kunnen of willen beschouwen, niet alleen in de context van Europa maar ook wereldwijd? Kunnen we positieve of zelfs emancipatorische ambities van de monocultuur situeren? Kan een cultureel homogene maatschappij ook inclusief en transformeerbaar zijn? Wat bevindt er zich in de marge van de monocultuur, en wat wordt er niet getolereerd? Wat kan de positie van kunst zijn binnen de context van de monoculturele ideologie? Of hoe zou kunst er onder de monoculturele ideologie uit kunnen zien wanneer ze tot haar logische eindpunt wordt gevoerd? 

MONOCULTURE – MENSELIJKE DIERENTUINEN

Image00006 scan: (c) M HKA, Published by Knackstedt & Nather, Hamburg 1908
Carl Hagenbeck's Tierpark, Stellingen-Hamburg. Singhalesentruppe des Ceylindorfes, 1908
Andere , 14 x 9 cm
postcard

Etnologische tentoonstelling, die ook wel menselijke dierentuinen worden genoemd, werden aangewakkerd door twee opkomende wetenschappelijke disciplines: de antropologie en de etnologie. Ze ontstonden aan het einde van de 19de eeuw en functioneerden als de belangrijkste evenementen voor propaganda van imperialisme. Ze werden in Europa geïntroduceerd door Carl Hagenbeck, een Duitse handelaar in wilde dieren, en waren een spektakel van 'exotische' inheemse volkeren uit Afrika, het noordpoolgebied, India, Ceylon en Zuidoost-Azië, meestal getoond in een gereconstrueerd inheems dorp. De tentoonstellingen van Hagenbeck in het Tierpark in Hamburg-Stellingen werden een referentiepunt voor de daaropvolgende menselijke dierentuinen in het kader van koloniale tentoonstellingen. De misschien wel meest bezochte en opmerkelijkste etnologische tentoonstellingen waren die van Parijs in de tropische tuinen van het Bois de Vincennes en d'Acclimatation, langs het Bois de Boulogne. Ondanks de enorme belangstelling van het grote publiek en de miljoenen bezoekers die de tentoonstellingen bijwoonden, ontstond er tegelijk een zekere antikoloniaal bewustzijn. Daarom werd er een oproep gedaan om de koloniale tentoonstelling van Parijs in 1931 te boycotten, een boycot die gesteund werd door beroemde surrealistische kunstenaars en leden van de Franse communistische partij.

Menselijke dierentuinen maakten ook deel uit van de koloniale secties van de Belgische wereldtentoonstellingen van het einde van de 19de tot het midden van de 20ste eeuw. Een van de meest opmerkelijke evenementen was de tentoonstelling in Tervuren, in 1897, die producten en mensen uit de Onafhankelijke Congostaat exposeerde – tot 1908 persoonlijk bezit van koning Leopold II. Een rijkelijk geïllustreerde gids in art-nouveaustijl gaf een kijkje in de grootsheid van de tentoonstelling, die plaatsvond in het nieuw gebouwde Koloniënpaleis en zijn tuinen, waarin scènes uit het dagelijkse Afrikaanse leven duizenden bezoekers trokken. De expo was niet alleen belangrijke propaganda voor het economische potentieel van de Belgische aanwezigheid in Congo, maar benadrukte ook het 'beschavende' werk van Belgische missies. Koloniale tentoonstellingen droegen bij aan de totstandkoming van het beeld van de ‘inferieure wilde Ander’ en aan de legitimering van het kolonialisme.