Wat bedoelen we met monocultuur? Wat motiveert identitaire of nationalistische monocultuurbewegingen die hun samenleving niet pluralistisch kunnen of willen beschouwen, niet alleen in de context van Europa maar ook wereldwijd? Kunnen we positieve of zelfs emancipatorische ambities van de monocultuur situeren? Kan een cultureel homogene maatschappij ook inclusief en transformeerbaar zijn? Wat bevindt er zich in de marge van de monocultuur, en wat wordt er niet getolereerd? Wat kan de positie van kunst zijn binnen de context van de monoculturele ideologie? Of hoe zou kunst er onder de monoculturele ideologie uit kunnen zien wanneer ze tot haar logische eindpunt wordt gevoerd? 

MONOCULTURE – FUKUYAMA & HUNTINGTON

Vvg0 32 scan: (c) M HKA, Published by The Free Press
Francis Fukuyama, "The End of History and the Last Man", 1992
Boek , 24 x 16 x 3 cm
paper, ink

“ [In dit artikel] heb ik gesteld dat er over de hele wereld de laatste jaren een opvallende consensus is ontstaan over de legitimiteit van de liberale democratie als regeringsvorm, daar deze heeft gezegevierd over rivaliserende ideologieën als de erfelijke monarchie, het fascisme, en, als meest recente, het communisme. Sterker nog, ik stelde dat de liberale democratie wellicht het ‘eindpunt van de menselijke ideologische evolutie’ en ‘de laatste vorm van menselijk regeren’ was, en daarmee het ‘einde van de geschiedenis’."

Dit citaat van politiek wetenschapper en filosoof Francis Fukuyama (1952) verwijst naar zijn artikel uit 1989, dat de basis vormde voor zijn boek uit 1992, en introduceert de centrale these van Het einde van de geschiedenis en de laatste mens. Fukuyama kondigt vlak na de val van de Berlijnse muur de overwinning af van de westerse democratie op het communisme en alle andere ideologieën. Het triomfalistische beeld van Fukuyama wordt sinds de jaren ’90 vaak overgenomen door politici van middenpartijen in westerse landen.

Fukuyama blikt terug op de geschiedenis van de afgelopen eeuwen en leest daarin een voortdurende botsing van ideologieën, aangedreven door de logica van de moderne wetenschap enerzijds en de strijd om erkenning van mensen anderzijds. Om zijn redenering te onderbouwen vertrekt Fukuyama van Immanuel Kants idee van ‘universele geschiedenis’; de notie van het einde van de geschiedenis van Georg Wilhelm Hegel (zoals Alexandre Kojève ze interpreteerde); en de door klassenstrijd aangedreven geschiedenis van Karl Marx.

Op de laatste bladzijden van het boek zet Fukuyama de metafoor van ‘een lange karavaan huifkarren langs een weg’ in om zijn visie op de geschiedenis te verduidelijken. Elke kar is op weg naar dezelfde bestemming, maar sommige zijn al verder dan andere; enkele hebben de reis helemaal opgegeven; en de huifkarren die alternatieve routes uitproberen, ontdekken dat ze allemaal door dezelfde bergpas moeten om het einddoel te bereiken. De menselijke geschiedenis is volgens Fukuyama dus universeel, progressief en ze gaat in één richting. Hij ziet een evolutie, die startte onder de impuls van de Europese Verlichting, naar een mondiale monocultuur van liberaal kapitalisme.